Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

410

ZONDAQ XXXIII. HOOFDSTUK III.

Hij middellijk op ons werkt, gelijk Hij dit doet door het Woord, door de Sacramenten, door onze levenservaringen, door allerlei ontmoetingen enz. Er is in de wedergeboorte geen middellijke werking van wat aard ook. Als God een zondaar ten leven wederbaart, doet Hij dit rechtstreeks en onmiddellijk, zonder eenig tusschentredend instrument. Hij zelf dringt als de Heilige Geest in ons wezen in, grijpt het in den wortel aan en vernieuwt het in zijn verborgenste kern.

Juist daarom echter is de wijze waarop deze werking toegaat, voor ons onbegrijpelijk. De uitwerking er van kunnen we onder woorden brengen, de werking zelve nooit. De werking zelve toch is het brengen van het leven in den dood, en hiervoor heeft onze menschelijke taal geen woorden en onze gedachte geen ontleding. Niemand kan zeggen, wat leven is, en nog veel minder omschrijven op wat wijze dit leven in den dood ontstaat.

Het uitgangspunt kennen we. Dit toch is de dood van den zondaar, en een iegelijk, die de diepte der zonde niet peilt, en in Arminiaanschen of Roomschen trant zich nog altoos voorstelt, dat ook een zondaar, hoe zwak ook, toch nog wel eenige ritseling des levens in zich draagt, geraakt in strijd met de Schrift, die ons uitdrukkelijk leert „dat wij van nature dood zijn in de misdaden". Slechts houde men hierbij wel in het oog, dat de dood heel iets anders is dan vernietiging. Zelfs in den eeuwigen dood in de hel wordt niets vernietigd, maar blijft alles bestaan. Zoomin de Satan als eenig goddeloos mensch kan ooit vernietigd worden. Maar bestaan is nog geen leven. Alles wat in de hel bestaat en zich roert en smarte lijdt is dood en aan den dood onderworpen. Leven doet een engel, en evenzoo een mensch, dan alleen, zoo hij met God in gemeenschap staat, uit die gemeenschap bezieling ontvangt en zoo de vonk dier Goddelijke bezieling in hem gloort. Zoo nu stond het wel met Adam in het paradijs. Maar zoo staat het niet met den zondaar. Hij bestaat wel en bestaat wel als mensch. Ook heeft hij wel een tijdelijk leven; maar het eeuwige leven is in hem niet. De gemeenschap tusschen God en zijn hart is verbroken. Er gaat geen innerlijke bezieling meer van Godswege in hem uit. En dientengevolge gloort er in zijn ziel geen vonk meer; maar is alles in hem dor en dof en doodsch. Hij is daarom geen „stok of blok", maar blijft ook in zijn staat van zonde en dood een mensch; een mensch met een hart; een mensch met bewdstzijn en wil; hij is niet verminkt; alles wat een mensch maakt is nog in hem. Maar de vensters zijn gesloten. Eeuwige nacht omhult hem. Geen lichtstraal van hooger glans dringt in hem door.

Juist deswege nu kan het leven nooit in hem terugkeeren, tenzij God

Sluiten