Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZONDAG XXXIII. HOOFDSTUK IV.

419

in dood en misdaden; iets wat geldt en gelden moet voor een iegelijk die uit een vrouwe geboren wordt. En geeft ge nu toe, gelijk ge wel moet, dat God de Heere deze wondere daad der wedergeboorte bij die uitverkorenen, die jong sterven, stellig nog in de wieg volbrengt, of ook reeds in moeders lijf, dan is er geen enkele reden denkbaar, waarom ge deze daad der wedergeboorte bij die andere uitverkorenen, die nog jarenlang op aarde leven blijven, later zoudt stellen. En dat te minder, daar toch een ieder die wedergeboren wordt, bij die wedergeboorte geheel lijdelijk verkeert, er niets van merkt, en er ook aan hem niets is te merken voor anderen. Toen Zacharias zijn kindeke Johannes in de wieg zag liggen, heeft hij niets hoegenaamd aan dit zijn kindeke kunnen ontdekken van de wedergeboorte die had plaats gegrepen. Op dien grond wil dan ook onze kerk, dat de kinderen der geloovigen van de kinderen der ongeloovigen door den heiligen Doop zullen worden afgezonderd, en zulks op grond dat hun de Heilige Geest toekomt zoowel als den volwassenen. Een uitdrukking, die Voetius, onze grootste theoloog, in zijn catechisatie op den Catechismus alzoo verklaart, dat zij ondersteld worden wedergeboren te zijn, en dus nog wel niet het dadelijk geloof, maar wel het geloofsvermogen te bezitten.

Over de wedergeboorte in engeren zin genomen, is hiermee genoeg gezegd; en verreweg belangrijker voor Gods volk is de vraag, hoe God de Heere nu die uitverkorenen, die niet vroeg sterven, maar nog eenige jaren op aarde leven blijven, uit deze wedergeboorte tot geloof en bekeering brengt.

Slechts zij men op zijn hoede, dat men nooit deze wedergeboorte opvatte, gelijk de Dooperschen hiertoe neigden, als bestond de wedergeboorte in het inbrengen in de ziel van zeker nieuw iets. Want wel spreekt de Heilige Schrift van een zaad Gods, dat in ons daalt en eeuwiglijk in ons blijft, maar dit is uiteraard een beeldspreukige uitdrukking, om de geestelijke ontvangenis uit te drukken, waarvan de geestelijke geboorte het resultaat is. Het is en moet altoos blijven: wedergeboorte, zoodat het dezelfde persoon, hetzelfde ik blijft, maar nu herboren. Wel komt er dan met de wedergeboorte iets in den mensch dat vroeger niet in hem was, maar dat nieuwe is God de Heilige Geest. Een onwedergeboren persoon mist den Heiligen Geest; een wedergeborene heeft den Heiligen Geest. Doch deze Heilige Geest is niet een kracht, niet een levenskorrel, niet een geestelijke stof, maar God zelf. Was nu de mensch in zijn schepping niet op de inwoning van den Heiligen Geest aangelegd, zoo zou in de wedergeboorte zijn wezen moeten veranderd worden, of liever nog hij zou

Sluiten