Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZONDAG XXXIVfl. HOOFDSTUK l.

457

van het Werkverbond te doen met onnoozele of nog onzondige menschiö? hier daarentegen in de Tien geboden zijn het zondaren die God toespreekt, van wie Hij weet dat ze tot allerlei zonden geneigd zijn, en in allerlei zonden bevangen liggen, en wien Hij daarom in verbiedenden vorm aanzegt, dat ze geen andere goden zullen dienen, niet zullen echtbreken, niet zullen stelen enz. Maar tegelijk weet de Heere, dat ze deze geboden in den geestelijk diepen zin, waarin ze gegeven zijn, toch niet kunnen en toch niet zullen houden, en daarom bluscht Hij den gloed van zijn wet terstond in het bloed der offeranden, dat krachtens een ander deel van dezelfde wetgeving eiken morgen en eiken avond moest vergoten worden.

Er is dus geen twijfel, of de wet der Tien geboden, gelijk ze hier als speciale wetgeving aan Israël voorkomt, maakt een deel uit niet van het Werkverbond, maar van het Genadeverbond. Geen oogenblik wordt de gedachte gevoed, alsof Israël door volbrenging van deze Tien geboden het eeuwige leven zal verwerven. Veeleer onderstelt de geheele priesterlijke dienst, die terstond na de afkondiging der Tien geboden wordt ingesteld, dat Israël uit genade leven zal, en alleen door goddelijke verzoening kan worden verlost. Iets wat echter niet wegneemt, dat in deze Israëlietische wetgeving deze Tien geboden een geheel eigen plaats, ja, de hoofdplaats blijven innemen, en in zeker opzicht een geheel eenig karakter dragen, dat stand blijft houden, ook als de ceremonieele dienst in Israël geheel is ondergegaan.

Dit geheel eigenaardig karakter der Tien geboden blijkt uit de geheel afzonderlijke wijze, waarop deze geboden zijn afgekondigd. De overige geboden verordineert de Heere door Mozes, de Tien geboden kondigt Hij zelf af. Iets wat natuurlijk geen het minste verschil maakt voor het goddelijk gezag waarmee deze geboden bekleed zijn; want of God zelf u zijn wil openbaart, of wel u dien wil kennen doet door zijn gezant, dit is voor u geheel hetzelfde en bindt u op even strenge en onverbiddelijke wijze. Maar wel maakt het onderscheid voor de plaats, die zulk een stuk der wetgeving in het geheel der wetgeving inneemt. En dan zij in de eerste plaats opgemerkt, dat de wetgeving aan Israël met de Tien geboden begint. Er gaat niéts vooraf. Heel het volk wordt saamgeroepen om zich te legeren om den Horeb, en nu, nu de wetgeving een aanvang zal nemen, is het de grondwet der Tien geboden, die aan al het overige voorafgaat. En wat reeds hiermee het geheel eenig karakter dezer Tien geboden duidelijk aangewezen, nog duidelijker sprak dit in het feit, dat de Heere zelf deze Tien geboden voor het oor van al het volk uitriep, zoodat heel Israël de stemme des Heeren hoorde. Ja meer

Sluiten