Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

502

ZONDAG XXXIVfl. HOOFDSTUK VII.

Zoo is het dan niet langer twijfelachtig in welke verhouding de consciëntie, als zoodanig, tot de Wet des Heeren staat. Ook bij den zondaar is in zijn bewustzijn nog zeker besef van recht en onrecht, van wat eerbaar en schandelijk, goed en kwaad is, over, en dit zedelijk besef wordt door de consciëntie op een gegeven geval toegepast. Dit zedelijk besef is dan niets dan een overblijfsel van de natuurwet in ons hart, dat als zoodanig met de Wet des Heeren overeenstemt, maar omdat het vaak zoo zwak en onzeker is de bevestiging en verrijking uit Gods Woord en door de Wet van noode heeft. Die zedelijke inhoud van de natuurwet en de Wet des Heeren is echter volstrekt de eigenlijke consciëntie niet, het is slechts de zedelijke maatstaf dien de consciëntie bij haar oordeel aanlegt. De kennisse van Gods wil zal dus bij den één onder het gewone peil dalen, doordien zijn zedelijk besef verzwakt is, en bij Gods Woord niet zoekt; bij een tweede zal het gewoon zijn, maar aan Gods Wet vreemd; en bij den derde zal er een kennisse van Gods wil wezen, die door het Woord bevestigd en verrijkt is. Hoe rijker nu iemands kennisse van Gods wil, en hoe helderder zijn zelfkennis, hoe juister ook de uitspraak van zijn consciëntie zal zijn. Zijn daarentegen èn die kennisse van Gods wil èn die zelfkennis, gebrekkig, dan zal ook de uitspraak van de consciëntie zeer feil gaan. En is eindelijk de kennisse van Gods wil en zijn zelfkennis onder peil gedaald, dan zal ook de uitspraak zijner consciëntie nauwlijks eenige zedelijke waarde meer bezitten.

Het zich regelen naar wat men noemt „de publieke consciëntie" heeft dus niet dan een zeer betrekkelijk recht. De poging, om op zijn consciëntie af te gaan, en Gods Woord en Wet ter zijde te stellen, is niets dan zelfbedrog. En uit het feit, dat iemand zegt „naar zijn consciëntie" gehandeld te hebben, of „dat zijn consciëntie hem vrij spreekt", volgt nog volstrekt niet, dat hij dus vrij uitgaat. Alleen in zóóverre heeft het beroep op de consciëntie altoos hooge waardij, dat iemand hiermee betuigt niet opzettelijk tegen beter weten in gehandeld te hebben. Wie naar zijn consciëntie handelde, handelde zooals hij op dat oogenblik niet anders handelen kon. Ging hij dan toch mis, zoo is te veroordeelen, dat hij Gods Wet niet beter kende, en die Wet is hem te prediken, maar zoolang ge zijn consciëntie niet beter verlicht hebt, kunt ge hem niet van schuld overtuigen.

Wat we van Jezus zeiden, betreft natuurlijk alleen zijn eigen zielsbestaan; want het spreekt vanzelf, dat er in Jezus, als onze Hoogepriester wel een consciëntie in solldairen zin was. Doch dit kan thans niet uiteengezet. Alleen van de persoonlijke consciëntie is hier sprake. En die nu kon bij Jezus zelfs niet in Gethsémané ontwaken. Immers ook

Sluiten