Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZONDAG XXXV. HOOFDSTUK II.

553

Tweede Gebod randt ge als zinlijk en lichamelijk wezen Hem aan, als geestelijk Wezen, en dat door middel van de zichtbare wereld, die Hij zelf u toevertrouwde.

De vraag is nu maar, waarin zielkundig de zonde bestaat, die u van nature in vijandschap tegen dit gebod uitdrijft. Dat die zondige neiging aanwezig is, blijkt duidelijk uit het leven der onderscheidene volkeren. Schier zonder onderscheid toch, is de beeldendienst bijna overal, zonder afspraak, opgekomen; ook in de Christelijke religie drong ze, zij het ook onder gewijzigden vorm, door. En nu nog is de neiging, om zich het ideale, het hoogste, het heiligste af te beelden, en op die beeltenisse in verrukking te turen, onder schier alle menschen duidelijk waarneembaar. Nu zal wel niemand onderstellen, dat dit verschijnsel onder alle volken en door alle eeuwen bij toeval of door gril zou zijn opgekomen. Een verschijnsel, dat zoo algemeen is, moet zijn noodzakelijke verklaring in onze menschelijke natuur vinden. En wie dan op de Mahomedanen wijst als vertegenwoordigende een 150 millioen personen, die zich toch aan allen beeldendienst spenen, dan zij geantwoord, dat juist de veerkracht die de Islam in de bestrijding van den beeldendienst moest ontplooien, een bewijs te meer is voor de taaiheid, waarmee de neiging tot beeldendienst in onze natuur geworteld ligt.

Om nu op dit alleszins bevreemdend verschijnsel licht te doen vallen, doet men het best met na te gaan, wat de Heilige Schrift over het beeld leert. Het Tweede Gebod in zijn scherpsten vorm verbiedt rechtstreeks een beeld van God te maken. De afgoderij is niet in dit tweede, maar in het eerste Gebod bestreden. Dit Tweede Gebod keert zich dus niet tegen de afgoderij, maar tegen de neiging om een beeld van God te maken. De leer van het Beeld Gods moet hier dus het noodige licht ontsteken. En desaangaande nu leert de Heilige Schrift, dat er wel terdege een Beeld Gods zijn moet. Dit Beeld Gods toch is niets anders dan de voorstelling die God in zijn eigen goddelijk bewustzijn van zichzelven heeft Want wel wordt ook de Tweede Persoon in de Drieëenheid het „uitgedrukte Beeld zijner zelfstandigheid" genoemd, maar dit heeft een anderen zin. Waar in de Heilige Schrift van het Beeld Gods wordt gesproken, is niet de Tweede Persoon bedoeld, maar het Beeld van God Drieëenig, gelijk het Eeuwige Wezen dit in zijn Goddelijk zelfbewustzijn voor zichzelven afspiegelt. Dit noemden onze oude godgeleerden dan ook zeer juist het archerypische Beeld Gods, d. w. z. het Beeld Gods gelijk dit, afgescheiden van alle creatuur, in God zeiven bestond. Naar dit Beeld Gods nu schiep God Drieëenig den mensch. Niet de wereld buiten den mensch is naar Gods Beeld geschapen, maar de mensch, en de mensch alleen. Zelfs van de

Sluiten