Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

558

ZONDAG XXXV. HOOFDSTUK II.

Prent u dus wel deze vijf in: 10. Gij zijt naar Gods Beeld geschapen, en kunt zonder een beeld van God niet leven; 2<>. ge hadt dus in het paradijs dit beeld van God moeten handhaven; 30. uw zonde in het paradijs was, dat ge dit Beeld van God verloort; 40. in Christus geeft God zelf u zijn Beeld terug; en 5<>. in Christus zult ge zijn Beeld dus aannemen, maar, ge zult u wachten, dat ge niet zelf een Beeld van God gaat maken.

Doet de zondaar dit nu toch, ziehier dan de tweeërlei vorm, waarin deze moedwil zich uit.

De eerste vorm is dat de mensch, ook nadat hij zondaar wierd, toch in zichzelf het Beeld van God blijft zien. Hij was naar Gods Beeld geschapen in zijn reine, heilige natuur, schitterde in zijn oorspronkelijke gerechtigheid. Nu verliest hij dit Beeld door de zonde; maar hij houdt zich groot; wil niet erkennen, dat hij het kwijt is; en zoo komt hij er toe, om het Beeld van God in zichzelven te blijven zoeken, ook nadat hij zondaar was geworden. Zoo wordt de zondaar in zijn onheiligheid voor hem het Beeld van God. Niet de Christus, het onbevlekkelijk Godslam, maar de gevallen mensch in zijn onheilige gestalte. Hij moest Gode gelijkvormig zijn, maar nu maakt hij God gelijkvormig aan zichzelven. Vandaar dat hij toen al zijn zondige neigingen op het Eeuwige Wezen overdroeg, en dat er ten leste letterlijk niet ééne zonde overbleef, die hij niet tóeschreef aan zijn goden. Zoo kreeg de dief zijn god, de wellusteling zijn Veftas, de dronkaard zijn Bachus. Alles volkomen consequent. Immers, hoewel hij zondaar was, waande hij toch nog het Beeld Gods te zijnen waartoe kon dit dan anders leiden, dan dat hij zich zondige goden ging denken. Natuurlijk had die gelijkvormigmaking van God aan den zondaar niet enkel plaats ten opzichte van deze booze zonden, ook de edeler trekken, die door de algemeene genade in onze zondige natuur nawerken, werden op God overgedragen. Maar wat hielp dit? Ook die edeler trekken toch leiden zonder hooger licht op een dwaalspoor. Zelfs de liefde neemt een eenzijdigen, overspannen, onnatuurlijken vorm aan. En naar dit menschelijk beeld van onzuiveren zielenadel vormt men zich nu het beeld van zijn god. Altoos zelf het model; en naar dit model, dat zich in ons zondig hart vormde, maakt men zich het beeld van zijn god; terwijl men den Christus voorbijgaat. Of wel óók zijn heilige beeltenis naar dat eigen gekozen model vervalscht.

Zoo is dan de eerste vorm dezer zonde, dat het Beeld van God in den zondaar, in plaats van in den heiligen mensch wordt gezocht. Maar de tweede vorm gaat nog verder. Zoo lang ge het Beeld van God nog in den mensch zoekt, blijft u althans nog de belijdenis van een persoonlijk

Sluiten