Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZONDAG XXXV. HOOFDSTUK IV.

569

is dat niet de ziel zich uit in lof; maar het gehoor door lieflijke klanken gestreeld wordt. Het kost toch reeds zoo ongemeene inspanning, om als men zingt waarlijk met de ziel lof te zingen, dat alle afleiding gemeden moest worden.

En ditzelfde beginsel nu heeft onze vaderen ook geleid in hun beperking van het gezang der gemeente tot de psalmen van David. Uitgangspunt was ook hier de overweging, dat wij menschen niet weten, hoe God de Heere wil dat we Hem zullen lofzingen. Dat nu echter de Heere ons in zijn Woord een bundel liederen had gegeven, die voor den publieken eere-dienst bestemd waren. En dat wij derhalve het veiligst gingen met ons aan dezen geijkten bundel lofliederen te houden. Men wist hoe Jezus zelf nog bij de instelling van het Avondmaal uitsluitend psalmen gezongen had. En ook, men had in de toenmalige kerken gezien, hoe de liederen al meer de psalmen hadden verdrongen.

Hiermee is natuurlijk niet gezegd, dat er op zichzelf niet ook een ander kerkelijk lied denkbaar ware, dat tot voertuig voor de biddende en aanbiddende ziel kon dienen. Bij ons huiselijk lied is dit herhaaldelijk zoo. Maar met dat al toont de historie der kerk helaas, dat de toelating van het vrije lied reeds zeer spoedig een macht in de kerk schept, die het leven en het bestand der kerk verwringt, en eerlang het psalmgezang in de bedehuizen verstommen doet.

VIERDE HOOFDSTUK.

Gij zijt toch onze Vader, want Abraham weet van ons niet en Israël kent ons niet: Gij, o Heere t zijt onze Vader, onze Verlosser vanouds af is uw naam. JES. 63 : 16.

Ons blijft nog over van het gebruik der Beelden in den dienst van onderscheidene kerken te spreken. En dan zij aanstonds opgemerkt, dat men ten onrechte dezen kerkdijken beeldendienst voorstelt als de eigenlijke zonde tegen het Tweede Gebod. Dit toch is niet zoo. Rechtstreeks keert het Tweede Gebod zich tegen het pogen om God den Heere onder eenig beeld of eenige gelijkenis voor te stellen, gelijk Aaron dit in de woestijn deed; en van beelden der heiligen is in dit gebod als zoodanig geen sprake.

\A W. .. .* A ltn1„l l«- U«+ rtiar Anr uarl/corrl (YOvïpn IC +

Sluiten