Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

600

ZONDAG XXXVI. HOOFDSTUK IV.

VIERDE HOOFDSTUK.

En alle tong zou belijden, dat Jezus Christus de Heere zij tot heerlijkheid Gods, des Vaders.

Filipp. 2 : 11.

Wie dusver meende, dat het derde Gebod alleen tegen het vloeken en tegen den meineed ging, sloeg derhalve den bal geheel mis. Ook wie nooit een vloek op de lippen nam, of nimmer valsch zwoer staat desniettemin met al wat uit vrouwen geboren is, aan de overtreding ook van dit derde Gebod schuldig. Niet alleen onder de Wet in 't gemeen, maar ook onder elk gebod op zich zelf genomen, bezwijkt een iegelijk onzer. Ge weet hoe onze Gereformeerde kerken in het antwoord op vraag 61 aan elk kind van God de beteekenis op de lippen leggen: „dat mij mijne consciëntie beklaagt, dat ik tegen alle Gods geboden zwaarlijk gezondigd heb en derzelve geen gehouden heb". Eerst wie zóó voor de Wet komt te staan begint de wonde van zijn hart te peilen; en eerst wie zoo de verbrokenheid zijner ziele kent, roept, uit honger naar eeuwig leven en dorst naar gerechtigheid, de genade van den Middelaar in. Maar dan moet deze belijdenis van schuld ook geen ijle phrase zijn. Ge moet het dan ook meenen, dat ge niet maar tegen de Wet in het algemeen, maar tegen alle hare geboden zwaarlijk gezondigd en geen van deze gehouden hebt. En hiertoe nu komt ge nimmer, zoolang gij bij den uitwendigen vorm van de geboden blijft staan. Er zijn er gelukkig nog honderden die in der waarheid'voor God getuigen kunnen nooit of nimmer zwaarlijk gevloekt of groven meineed begaan te hebben; en hieruit volgt derhalve, dat al deze personen zich voor dit derde Gebod nooit schuldig zullen gevoelen, zoolang ze den diepen, geestelijken zin ook van dit derde Gebod niet hebben leeren verstaan.

Maar dat geestelijk verstand van dit derde Gebod gaat dan ook terstond open, zoodra ge u door Gods Woord gezeggen laat, dat in den Naam des Heeren heel zijn heilige Openbaring schuilt, en dat dit derde Gebod dus alle plichten inhoudt, die voor het kind des menschen uit het bestaan zelf van deze Openbaring Gods voortvloeien. Die Openbaring Gods is, blijkens den Jehovah-naam, hier bepaaldelijk als de bijzondere Openbaring op te vatten; een Openbaring die zich opzettelijk tot den zondaar richt en voor den zondaar, hem ter redding gegeven is. Laat nu de zondaar deze Openbaring Gods in Christus Jezus óf uit onverschilligheid liggen, óf wel misbruikt hij haar, door ze te vervalschen; door ze uit te buiten voor

Sluiten