Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

626

ZONDAG XXXVII. HOOFDSTUK III.

dat een belofte, die . onder eede bezworen is, niet mag en niet behoeft gehouden te worden, zoo van achteren blijkt, dat we bij het afleggen van dien eed in zelfmisleiding verkeerden, dat men ons onvrij maakte, of dat de zaak ongerëchtig was. Altoos dus weer naar denzelfden regel,' dat er voor een geldenden eed drieërlei vereischt wordt: waarheid in het gemoed, bekwaamheid" tot den eed, en zaaksgerechtigheid. Dit wordt nu natuurlijk niet gezegd, om zekere slapheid of laksheid aan te moedigen, want het spreekt vanzelf, dat het breken van een onder eede gedane belofte nooit op eigen voordeel mag uitloopen of door zelfzuchtige bedoelingen kan gemotiveèfd zijn. In den eed geldt altoos en op elk punt de regel, dat ge Gods eere moet bedoelen, en niet uzelven, ja, dat ge wat uzelven aangaat, liever schade lijdt. Maar desniettemin moet er zeer zeker op den plicht om zelfs' een onder eede gedane belofte te breken, zeer stelliglijk gewezen worden, omdat men anders gevaar loopt, den eed, die alleen Gods eere bevorderen mag, tegen Gods eere te misbruiken. Stel b.v. iemand had hT een onnadenkend oogenblik onder eede beloofd, dat hij zijn dochter uit z"ou huwen aan een slécht, goddeloos en onzedelijk mensch; dan spreekt het toch vanzelf, dat zulk een eed niet geldt, niet bindt, en dat hij door toch dien eed uit te voeren, zich ten tweeden male voor God bezondigen zou, eerst door zoo rbekeloozen eed, in een ongerechtige zaak, en ten tweede door nü, ter wille van dien roekeloozen eed, deze ongerechtige zaak uit te voeren. Zoó hoort men soms van iemand, die bij het aangaan van een gemengd huwelijk, nog weinig aan de religie hechtend, onder eede beloofd heeft, zijn kinderen b.v. modern te laten opvoeden. Maar nu bekeert hij .zich, hij komt tot inzicht van de waarheid, hij merkt, dat zijn kind modern te laten opvoeden, zonde voor God is. En nu spreekt het toch vanzelf, dat zulk een eed niet kan en mag binden, èn zoo hij er zich aan hield, hem dubbel schuldig zou stellen.

Nog voor korte jaren kwam soortgelijke quaestie bij de Doleantie ter sprake. Van Synodale zijde beschuldigde men toen de mannen, die met de Hiërarchie braken,'van beloftebreuk; en, waar ze zich op grond van gedane belofte, voor hét kerkegoed te weer stelden, eischte men juist omgekeerd dat ze hun belofte breken zouden. Wat nu toonde dit anders, dan dat alle'.rechtsbegrip van eed en belofte bij de Ethischen en Sync^ dalen ten eenen male was teloor gegaan? De kerkvoogden te.Amsterdam hadden een plechtige gelofte op schrift onderteekend, dat ze hef "kerkgoed bij geschil met de hoogere besturen, nooit anders dan op rechterlijk gewijsde zouden overgeven.. Deze gelofte mochten ze natuurlijk niet.breken, Want hier was waarheid in het gemoed, eedsbekwaamheid en zaaksgerechtigheid geweest.:Wel zouKhet hun veel'smaad en moeite en onaan-

Sluiten