Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

28

ZONDAG XVIII. HOOFDSTUK IV.

naar de aarde en zulk een geheimzinnige vreeze voor den hemel koesteren? Immers het feit van den dood. Het feit dat onze weg naar dien hemel gaat door uiteenscheuring van ons wezen. En dat wel onze ziel in kan gaan, maar dat al het zichtbare, al het tastbare, al het werkelijke om dien hemel moet prijsgegeven. Zoo ontstaat de indruk, alsof de hemel wel voor onze ziel, maar niet voor onzen geheelen persoon, niet voor onzen geheelen mensch, naar ziel en lichaam, een levenswereld aanbiedt, en komen we dus voor de keus te staan tusschen een aarde waarop we naar ziel en lichaam leven kunnen, en een hemel die de helft van ons wezen afsnijdt.

Nu echter, door Jezus' hemelvaart, wordt dit op eenmaal anders. Hij droeg onze menschelijke natuur naar ziel en lichaam ten hemel in. Hij droeg ze ten hemel in zonder dood. Uit dit feit nu volgt met stellige zekerheid, dat de hemel niet alleen een levenswereld voor een afgescheiden ziel oplevert, maar wel terdege ook een levenswereld heeft voor onzen geheelen mensch, voor onze geheele persoonlijkheid, voor onze ongedeelde natuur naar ziel en lichaam beide.

Hierdoor vervalt derhalve de vroegere tegenstelling. Niet langer blijft het, een aarde voor heel mijn menschelijke natuur, en een hemel alleen maar voor mijn ziel. Neen het wordt nu, èn op aarde èn in dien hemel een levenswereld voor ziel en lichaam beide. En als we dan nu die beide levenswerelden vergelijken en denken eenerzijds aan die aarde, waarop wij met onze ziel zoo schriklijk tobben en met ons lichaam zoo vaak kwijnen, en dien hemel, waarin Jezus naar de ziel heerlijk bloeit en naar het lichaam schittert in glorie, dan is al de voorkeur aan de aarde ontnomen en op den hemel overgedragen; mits slechts die hemel ook voor ons kan zijn.

En ook hiervoor nu biedt Christus' hemelvaart ons het zekere pand. Immers er bestaat een mystieke unie. Hoofd en leden zijn organisch één. Ze zijn niet daadwerkelijk te scheiden. En zoo is dan Christus' zijn in den hemel naar lichaam en ziel voor ons de stellige profetie, dat ook wij in dien hemel naar lichaam en ziel zijn zullen.

En zoo komen we vanzelf op de derde vrucht aldus door den Heidelberger omschreven: „dat Hij ons zijnen Geest als een tegenpand zendt, door welks kracht wij zoeken wat daarboven is, waar Christus is, zittende aan de rechterhand Gods, en niet wat op de aarde is."

Pand en tegenpand zijn hier ontleend aan twee scheidende vrienden, die als teeken van wederzijdsche trouw elkander over en weer bij het scheiden iets meegeven of nazenden. En zoo nu stelt de Catechismus het voor, alsof

Sluiten