Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

68

ZONDAG XIX. HOOFDSTUK VI.

oordeel zijn gehouden door den mensch Christus Jezus. In ons vleesch en bloed, onzer natuur deelachtig, zij het ook verheerlijkt, zal Hij zitten op den troon zijner majesteit, en diezelfde Jezus, die zijn menschelijk bloed voor ons vergoten heeft, zal met een menschelijke stem der wereld 't oordeel aanzeggen.

Eerst hierdoor wordt dit laatste oordeel concreet i). Op die wijs zweeft het niet meer in algemeene vaagheid, alsof het eigenlijk slechts een herhaling in de eigen consciëntie van ons schuldbesef zou zijn, maar verkrijgt het vorm en gestalte, en ontstaat de noodzakelijkheid om het te binden aan plaats en tijd. Het zal niet maar zijn in een vage eeuwigheid, maar er is „een dag gesteld, waarop God de wereld oordeelen zal". De dooden zullen niet maar in een onbestembare vaagheid opstaan, maar „de ure komt, dat ze de stem van den Zoon des menschen zullen hooren". En ook het zal niet zijn een heel de schepping doordringende consciëntiewerking, die mystiek alleen in ons binnenste omgaat, maar „alle volken zullen voor Hem vergaderd worden".

Ook hier moet nadruk op gelegd. Geliefkoosd toch is de meening, alsof al deze uitdrukkingen slechts figuurlijk waren, en slechts dienden om een innerlijke gebeurtenis in de ziel af te spiegelen. Men spreekt dan wel van een oordeel, maar meent eigenlijk geen oordeel. Men spreekt dan wel van een opstanding, maar meent eigenlijk geen opstanding. Men gebruikt dan nog wel het woord wederkomst, maar weet eigenlijk van een komen van Jezus niet af.

Dit nu mag niet. Wie 't zoo opvat loochent toch Jezus' menschelijke natuur, of onderstelt, dat Hij bij zijn hemelvaart onze menschelijke natuur weer heeft afgelegd, en nu alleen als geest leeft. En natuurlijk een geest kan niet weerkomen. Een geest spreekt niet. Een geest kan niet zitten als rechter.

Houdt men daarentegen beslist vast aan de openbaring der Heilige Schrift, dat Christus bij zijn hemelvaart onze menschelijke natuur niet aflegde, maar nu nog in den hemel in zijn menschelijkheid leeft, dan spreekt het ook evenzoo vanzelf, dat er door Hem geen oordeel kan gehouden worden, of Hij moet wederkomen.

In den hemel kan het oordeel niet gehouden, overmits dan de goddeloozen eerst in den hemel zouden moeten ingaan, om geoordeeld te worden. Iets wat zichzelf weerspreekt.

Hij moet dus op aarde komen. En overmits nu de mensch Christus

1) Krijgt het vormen, die we ons voorstellen kunnen.

Sluiten