Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZONDAG XX. HOOFDSTUK I.

75

onzer oude godgeleerdheid dankbaar ja, ook al heeft hij noch Brakel, noch Maestricht ooit gezien, noch ook persoonlijk eenig contact met hen gehad. Hij had nooit iets anders te zijner beschikking dan hun boeken, hun werken, de denkbeelden en voorstellingen die van hen zijn overgeleverd. Maar omdat bij een geestelijk persoon die persoon en zijn werkingen voor ons saamvallen, vindt men er toch niets vreemds noch onoirbaars in, om te zeggen, en te zeggen zonder vrees voor misverstand: „Ik ken Brakel, ik ken Voetius 1" En waar dit nu reeds onder menschen zoo gaat en geldt, hoeveel meer moet dit dan niet gelden bij den Heiligen Geest, die eeuwig en alomtegenwoordig nooit van zijn werkingen en kracht is af te scheiden, en in zekeren zin altoos in zijn eigen gaven en werkingen tegenwoordig is.

Dat Schriftgebruik is dus in het minst niet storend, noch min juist. Integendeel, omdat de Heilige Geest steeds in zijn eigen werken leeft en tegenwoordig is, moest het zoo worden uitgedrukt. Maar dit neemt niet weg, dat het den minkundigen kenner en Schriftlezer toch vaak in verwarring brengt.

En daarom is het nu, dat de Catechismus hier zoo kras en duidelijk de belijdenis op den voorgrond plaatst, dat de Heilige Geest te zamen met den Vader en den Zoon waarachtig en eeuwig God is.

Dit is de uitlegging van de woorden: „Ik geloof in den Heiligen Geest." Daarna volgt er: „Ik geloof eene heilige, algemeene, Christelijke kerk", zonder dat in er bij. En juist in dat zeggen: „Ik geloof in den Heiligen Geest", ligt dus de belijdenis, dat ons geloof zich op den Heiligen Geest als God richt. We kunnen gelooven dat er vergeving van zonde is. We kunnen gelooven aan wederopstanding des vleesches. Maar „gelooven in" kan alleen van het geloof in een Goddelijk Wezen gezegd worden. Zelfs van een mensch, hoe heilig ook, kunt noch moogt ge ooit zeggen: „Ik geloof in u". Ge kunt iemand gelooven. Ge kunt aan iemand gelooven. Maar gelooven in een schepsel, is afgoderij.

De bijvoeging dat de Heilige Geest niet maar waarachtig en eeuwig God is, maar dit is „te zamen met den Vader en den Zoon", heeft hier een eigenaardigen zin. Er is toch sprake van het Verlossingswerk. Van dat Verlossingswerk, dat dusver als een daad des Vaders en een daad des Zoons is uiteengezet. Voor de innerlijke verwerkelijking van deze Verlossing treedt nu de Heilige Geest op, en keer op keer meldt ons de Heilige Schrift, dat de Vader en de Zoon deze Verlossing in ons verwerkelijken door den Heiligen Geest. Juist hierin schuilt dus het gevaar, om den Heiligen Geest ons voor te stellen als een dienende macht, die door den Vader en den Zoon bij het werk der Verlossing wordt aangewend. Zij, de Vader en de Zoon,

Sluiten