Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

110

ZONDAG XXI. HOOFDSTUK I.

gezegd, dat ze afgehouwen en verworpen zou worden, bijaldien ze Israël volgde in zijn ongeloof en afval. Welnu, ook die kerk des Nieuwen Verbonds is tot afval gekomen. Krachtens deze apostolische verklaring moet dus aangenomen, dat ook zij thans afgehouwen en verworpen is; en dat God de Heere, naar zijnen Raad, thans nog wel eenlingen redt en afzonderlijke zielen zaligt, maar dat er van een organische kerk geen sprake meer kan zijn.

Ongetwijfeld komt aan Darby de eere toe, dat hij te dezen opzichte dieper dacht en verder zag dan de coryphaeëri van den Reveil. Feitelijk toch rekenden deze mannen even weinig met de kerk als Darby, maar ze gaven zich geen rekenschap van hun doen; ze waren geen denkers en zagen niet tot op den grond door. Maar dat deed Darby wel. Hem was het behoefte, om als kind van den Reveil, er tot klaarheid over te komen, hoe het kon saamgaan, dat er zoo stellig en omstandig in de Heilige Schrift van een kerk gehandeld wierd, en dat hij en zijn mede-Christenen zich toch over geen kerk bekreunden, ja, er eer vijandig tegenover stonden. En deze noodzakelijke drang der gedachten dreef hem toen naar de overtuiging, dat er wel een kerk des Nieuwen Verbonds geweest was, maar sinds wegzonk en afviel, en dat hetgeen zich nu nog kerk noemde, niets van de eens echte kerk was dan een zondige caricatuur.

In de dagen der Hervorming had zich hetzelfde verschijnsel voorgedaan. Ook toen stond de kerk aanvankelijk vijandig tegen de weeropwaking van het geestelijke over en poogde dit te onderdrukken, en ook toen traden in de Wederdoopers mannen op, die feitelijk de kerk loochenden; gelijk zelfs nu nog de Mennonieten of Doopsgezinden in beginsel eigenlijk van geen kerk weten willen. Maar naast en tegenover hen stonden toen de Hervormers, die evengoed als de Wederdoopers de diepe gezonkenheid der kerk inzagen, en zelfs toegaven dat hetgeen zich als kerk nog aandiende „valsche kerk" was geworden; maar niettemin, in plaats van de kerk op te geven, zich opmaakten om haar te reformeeren. Maar dien drang juist kende de Reveil niet. De Reveil gaf de kerk op, zonder principieel tegenover haar positie te nemen, en plaatste naast en buiten de kerk zijn veelbezige werkzaamheid, om zondaren tot Jezus te roepen en in zijn naam werken van barmhartigheid te doen. Het waren het eerst de mannen van 1834, die ten onzent de onhoudbaarheid van dit standpunt inzagen, en half tastend half zoekend den strijd weer op kerkelijk terrein overbrachten, zonder nog aanstonds met bewustheid het beginsel van Reformatie uit de 16de eeuw op te nemen. Dank zij hun veerkracht is toen ook in kringen, die hen bestreden, het kerkelijk leven weer ópgewaakt. Zoo is tweeërlei beweging, die van den Reveil en die van de Reformatie, tegenover elkaar komen te staan, en wierd onder 's Heeren wonderbare leiding de eens zoo

Sluiten