Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZONDAG XXII. HOOFDSTUK V.

225

spraken, die te hooi en te gras in de Heilige Schrift voorkomen. Maar ook bij die uitspraken hebben we slechts een zeer enkel maal geheel vasten grond onder den voet. Zoo is het b. v. als Jezus tot den moordenaar aan het kruis zegt: „dat hij heden met Hem in het Paradijs zal zijn." En dat wel, omdat in deze uitspraak tijd en plaats zoo ongevraagd duidelijk zijn aangegeven; het korte der uitspraak de gedachte aan beeldspraak uitsluit; en de ontzettende ernst van het oogenblik zulk een woord tot een bespotting van den plotseling bekeerden kruiseling zou gemaakt hebben, indien er geen dege, ernstig gemeende, voor hem verstaanbare belofte in lag opgesloten. Maar anders is het reeds met de gelijkenis van Lazarus en den rijken man. Hier toch hebben we met een gelijkenis te doen, die vanzelf tot teekening in beeld aanleiding gaf, en ligt dus het vermoeden voor de hand, dat de figuren en gestalten, die hier voor ons treden, slechts dienst doen, om de geestelijke waarheid die Jezus wil inprenten, in beeld voor te stellen. Iets, wat bijna zekerheid wordt, zoo men er op let, dat de rijke man, Lazarus en Abraham na den dood als nog met hun lichaam bekleed voorkomen. Iets wat toch strijdt met hun doodsstaat. Juist dat er gesproken wordt van een tong die brandt, en een vinger dien men in het water wil doopen enz., bewijst duidelijk, dat men te ver gaat, zoo men uit de afzonderlijke trekken van deze gelijkenis eenig gevolg wil afleiden voor onzen toestand na den dood, hangende de berooving van ons lichaam.

We gaan dus veiligst met niet wijs te willen wezen boven hetgeen ons geopenbaard is, en mysterie te laten wat toch een raadsel voor ons blijft. Immers wat sommigen op grond van 2 Cor. V : 1—6 geleerd hebben, dat de ontslapenen, in afwachting van de wederopstanding des vleesches, die eerst men den jongsten dag komt, inmiddels in den hemel een tijdelijk hulplichaam van God zouden ontvangen, is niets dan een spel der verbeelding. „Het gebouw, waarvan de heilige apostel zegt, dat we een woonstede bij God hebben, niet met handen gemaakt, maar eeuwig in de hemelen," doelt volstrekt niet op een „tijdelijk hulplichaam", maar op het lichaam der heerlijkheid, gelijk hij dit in 1 Cor. XV : 40 v.v. teekent. Iets wat reeds afdoende blijkt uit de bijvoeging, dat dit een gebouw is, „eeuwig in de hemelen". Evenmin eindelijk mag te sterke nadruk gelegd op wat Israël in Jesaja LXIII : 16 klaagt: „Want Abraham weet van ons niet en Israël kent ons niet: Gij, o Heere, zijt onze Vader, onze Verlosser vanouds af is uw naam." Want al blijkt hieruit ongetwijfeld, dat Israël zelf niets merkte van iets dat Abraham of Jacob voor hen ter verlossing deed, toch is hiermee nog niet gezegd, dat daarom Abraham en Jacob van alle kennisse omtrent hetgeen met Israël voorviel, verstoken waren. Dit zou wel zoo zijn,

E Voto II '5

Sluiten