Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZONDAG XXII. HOOFDSTUK X.

261

het rijk van aardsche glorie te stichten; en als dit, na afloop der duizend jaren, weer zal zijn ondergegaan, moet men dan aannemen, dat Christus nogmaals ten hemel vaart, om eerst daarna ten tweeden male neder te dalen, ten einde het gericht te houden en het rijk van hemelsche heerlijkheid te doen ingaan.

Ook dit echter is met de doorloopende en duidelijke voorstelling, die Jezus zelf ons geeft, in onverzoenlijken strijd. Nergens wordt ooit ook maar met één enkel woord anders dan van ééne wederkomst des Heeren, en dat wel van eene wederkomst ten gerichte gesproken. En van een tweede hemelvaart, die op de eerste volgen zou, weet de Schrift niets. En toch, deze moet men op Chiliastisch standpunt wel aannemen, want al wat ons van de Wederkomst des Heeren gemeld wordt, eischt nadrukkelijk, dat deze met het wereldgericht onmiddellijk saamvalle, en wel zoo, dat Hij dan niet uit Jeruzalem, maar uit den hemel komt, om het oordeel te houden.

In de derde plaats stelt de Chiliastische leer, dat er reeds meer dan duizend jaren vóór het einde der' wereld eene scheiding tusschen de boozen en goeden zal plaats hebben. Stel voor een oogenblik, dat het einde der wereld in het jaar 3000 komt, en dat de worsteling tusschen den weer losgelaten Satan, na het duizendjarig rijk, een eeuw bedraagt, dan zou in het elfhonderdste jaar vóór het einde der wereld, en dus in het jaar 1900, een eerste scheiding tusschen boozen en goeden volgen, die daarna in het eindgericht door een tweede schifting stond gevolgd te worden. — Maar ook deze voorstelling is in strijd met wat Jezus ons in de gelijkenissen van het Vischnet en van den Akker openbaarde. In die beide gelijkenissen toch stelt Jezus, dat de schifting slechts éénmaal zal plaats hebben, en wel in het oogenblik der voleinding, als de visschers of de maaiers, d. w. z. Gods engelen, zullen uitgaan.

En eindelijk, wie voorstander van het Chiliasme is, neemt aan, dat er aan Jezus' wederkomst vooraf zal gaan een lange tijd van tien eeuwen, waarin alle lijden en druk van Gods kerk zal zijn weggenomen, en Gods kinderen op aard in stoorloozen jubel genieten zullen, en dat daarna nog wel een periode van worsteling volgt, maar een worsteling die zeer kort zal zijn, en door een ingrijpen van Hooger hand veeleer op een verdrukking van Satan zal uitloopen.

Ook dit nu is met hetgeen de Heere Jezus ons in de duidelijkste bewoordingen over het lot der zijnen bij zijn wederkomst ten gerichte gemeld heeft, onvereenigbaar. Geheel in strijd toch met deze voorstelling, teekent Jezus ons de dagen van zijn Wederkomst, als een periode, „waarin Hij nauwelijks geloof zal vinden op aarde"; als een toestand, waarin de

Sluiten