Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZONDAO XXII. HOOFDSTUK XI.

profetie en op hetgeen de heilige apostel Paulus in Rom. XI over de toekomst van Israël zegt. En zij het al, dat het visioen van Openb. XX aan het Chiliasme zijn meer concreten vorm leende, althans voor de Chiliasten van Engelsche herkomst, weegt het bewijs uit de Oud-Testamentische profetie en uit Rom. XI veel zwaarder. Zoo zelfs, dat voor hen eigenlijk heel.het Chiliasme zich om de quaestie van „Israëls" toekomst beweegt. Dit punt is voor velen hunner zelfs in zulk een mate hoofdzaak, dat meer dan één de belijdenis van den Christus als zeer onvolkomen beschouwt en stellig als gebrekkig veroordeelt, indien er ook niet een artikel in die belijdenis voorkomt over de toekomst van „Israël". Ook hier te lande nam dit zelfs zulke evenredigheden aan, dat velen de belijdenis van Israëls toekomst het nu pas recht geopenbaarde zaligmakende Geloofsartikel van de 19de eeuw noemden.

En metterdaad, het is zoo, voor de quaestie van het Chiliasme heeft het Oude Testament ons ongetwijfeld veel meer te zeggen dan Openb. XX. Dat voelt en merkt de oppervlakkige wel niet, die toch maar blijft vinden dat het in Openb. XX zoo letterlijk staat; maar dan toch wel de kenner der profetie, die inzag, hoe ontzaglijk veel er ons aan gelegen is, om het eigenaardig karakter der profetie niet te laten verwateren door een bodemloos idealisme.

De profetie in de Heilige Schriftuur is een rechtstreeksch getuigenis Gods; en wat men er ook tegen insprak, altoos weer dringt zich de overtuiging op, dat de „voorzegging van toekomende dingen" wel terdege tot het karakter van den profeet behoort. Er is een raad Gods. Die raad Gods wordt volvoerd. Die raad is Gode alleen bekend. En nu is het de profetie, waarin ons de lijnen van het proces, dat in dezen raad Gods ligt bezegeld, worden voorgeteekend. In het Hebreeuwsche Oude Testament behooren ook de boeken van Samuel en Koningen evenals Jozua en Richteren tot profetische boeken; iets wat wel op den eersten oogopslag vreemd schijnt, maar toch, na hetgeen we zeiden, volkomen natuurlijk is. Is toch de profetie de openbaring van den raad Gods, dan spreekt het vanzelf, dat die openbaring deels ligt in het verleden, en deels in de toekomst. En zoo hoort het tot de taak der profetie, zoowel om in dat verleden den gang van 's Heeren raad aan te toonen, als om voor de toekomst „den weg des Heeren" te ontdekken.

De dusgenoemde „ideëele" opvatting van de profetie moet deswege zoo beslist mogelijk verworpen. Het is niet waar, dat de profeten mannen waren, die evenals wij, hunne idealen hadden, hunne hoopvolle verwachtingen van de toekomst, en dat ze deze in beeldspraak inkleedden. Dan toch ware een profeet niets bijzonders geweest; niets meer dan een redenaar

Sluiten