Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

274

ZONDAG XXII. HOOFDSTUK XII.

Moet het dan zoo opgevat, dat uit Abraham geboren te zijn reeds als zoodanig tot een kind van God maakte en inbracht in het Koninkrijk der hemelen; of althans dat alleen voor Israël de toegang tot dat Koninkrijk voor de heidenen openstaat? De Farizeën dachten het, maar onverbiddelijk is deze valsche waan afgesneden door het woord van den Dooper: „Ik zeg u dat God ook uit deze steenen Abraham kinderen verwekken kan, en wat zoudt ge dan gaan zeggen: „We hebben Abraham tot eenen vader!" Daargelaten dus de vraag of, voorzooveel de voorbereidende genade ook onze nationaliteit kan betreffen, een vleeschelijke zoon van Abraham een meerdere praedispositie bezit dan een zoon van Izaak of Ismaël, staat in elk geval vast, dat een Jood evenmin als een heiden, door iets anders dan door de wederbarende en vrijmachtige genade Gods zalig wordt. Zelfs kunnen er gevallen zijn, waarin de lieden van Sodom en Gomorra, en in het algemeen de heidenen en tollenaars, hem zullen voorgaan in het Koninkrijk der hemelen.

Voor de geestelijke zijde van het Genadeverbond telt dan ook voor de komst van den Messias volstrekt niet heel het volk der twaalf stammen mee. Veeleer blijkt gedurig, dat slechts een uitverkoren deel uit dit uitverkoren volk zalig wordt. Ongeloof en afval en afgoderij is, over de meeste jaren genomen, bij het meerendeel des volks zelfs overheerschend. In Elia'S dagen zijn er op 4 a 5 millioen zonen Abrahams, die het heilige land bewonen, alles saam weinig meer dan 7000, die de knie voor Baal niet gebogen hebben. In Salomo's dagen waren tien van de twaalf stammen reeds tot openbaren afval gekomen. Jesaja ontvangt den last om het Getuigenis toe te binden onder zijn leerlingen; een zeer kleine schaar. En waar in het roepingsgezicht van Jesaja XI de profetie een beeld van vertroosting en bemoediging aan den horizont laat opkomen, heet het nog altoos, dat negen tienden van het volk te loor gaat, dat slechts één tiende weer opleeft; dat dit ééne tiende nog zal zijn om af te weiden, en dat er in dit ééne tiende dan nog een heilig zaad zal schuilen, om er het steunsel van te zijn (XI : 13). En als na de ballingschap dat ééne tiende is teruggekeerd (natuurlijk niet op den tel af, maar om een denkbeeld van de sterkteverhouding te geven), zegt de Heilige Geest in Zacharia XIII : 8, dat van dit ééne tiende wederom twee deelen zullen uitvallen, en slechts één deel zal zijn, om over te blijven. Iets wat in Jezus' dagen dan ook volkomen bevestigd wordt, in zooverre Juda zich bijna geheel tegen den Messias verhardt en het meest lieden uit Naftali en Zebulon, en voorts proselieten uit de Cretensen en Arabieren zijn, die de drie en vijf duizend bij de spijziging leveren, of de drie en vijf duizend na den Pinksterdag. Tot eindelijk na het kruis van Golgotha Israëls voorkeur in

Sluiten