Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZONDAG XXII. HOOFDSTUK XII.

279

Christen weer tot Jood te maken, d. w. z. zonder te verloochenen de vervulling van alle profetie in Christus Jezus onzen Heere. En overmits nu de verwachtingen van een Duizendjarig rijk van aardsche heerlijkheid, voor wat de profetieën aangaat, geheel rust op de valsche opvatting, als ware deze dienst der Schaduwen nog niet af gedaan^ maar als zou hij nogmaals in aanschouwd ij ken vorm terugkeeren, door een zitten van Jezus op den troon te Jeruzalem, waar de Joodsche natie dan nogmaals zou vergaderd worden, mag niet anders geoordeeld of heel deze voorstelling rust op een verwarring van de Schaduwen met de Vervulling, en dus in den diepsten grond op een onvolkomen geloof aan de volkomenheid van het werk van den Middelaar.

Zoo beslist als we dus elke uitlegging van de Oud-Testamentische profetie verwerpen, die ons op het aardsche in steê van op het hemelsche Jeruzalem wil wijzen, zoo verre zijn we er intusschen vandaan om deswege aan de Joodsche natie voor de toekomst alle beteekenis te ontzeggen.

Veeleer moet hierbij aan tweeërlei vastgehouden:

Ten eerste hieraan, dat volgens Rom. XI : 25, als eenmaal de zending van Gods kerk onder de heidenen zal zijn afgeloopen, een groote bekeering uit de Joodsche natie tot den Christus mag worden tegemoet gezien. Van welken omvang deze bekeering zijn zal, weten we niet. Maar zooveel staat vast, dat terwijl Moabiet en Edomiet reeds spoorloosraierdween, de Joodsche natie nog altoos in 10 a 11 millioen voortleeft, niet zonder nog een doel in de toekomst te hebben, maar om eenmaal op Gods tijd nog met den Geest der genade en der gebeden verrijkt te worden. Dan zullen ook deze in massa bekeerde Joden echter niet weer iets aparts zijn, maar, gelijk Paulus duidelijk zegt, worden ingeënt op den stam der kerk.

En ten tweede, dat er niet hier op aarde, maar wel in de heerlijkheid der hemelen voor de kinderen Gods uit Abrahams stam een eigen plaats blijft. Heel de Openbaring toch leert ons, dat de onderscheiding in natiën en geslachten en volken duurzame beduidenis ook in de triomfeerende kerk heeft, en dat bij deze onderscheiding de eigenaardige positie, die de Joodsche natie door haar geheel eenige geboorte en door haar geheel eenigen band aan den Middelaar heeft, niet te loor gaat.

Al wat er dus vleeschelijks, aards en uitwendigs aan deze Joodsche verwachtingen en deze droomerijen over een toekomst in een aardsch rijk onder Jezus als Koning is, verwerpen we beslist als vrucht van ongeloof. Maar geestelijk blijven we den voorrang erkennen, die in heel de Schriftuur aan de Joden onder de natiën gegeven is, als van duurzame beduidenis.

Sluiten