Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZONDAG XXIII. HOOFDSTUK V.

321

Is dit zoo, dan ligt hierin vanzelf opgesloten, dat gij zelf aan uwe rechtvaardigmaking ook niets kondt toebrengen, en is elke poging van den zondaar afgesneden om zelf in het werk der rechtvaardigmaking werkzaam op te treden. Val ik in de valsche leer, om de daad der rechtvaardigmaking eerst op het oogenblik te stellen dat mijn geloof doorbreekt, dan kom ik er licht toe, om in dit geloof min of meer de bewerkende oorzaak van mijn rechtvaardigheid voor God te zoeken. Maar staat het vast, dat mijn rechtvaardigmaking reeds bij God gereed lag, eer ik nog zelfs geboren was, dan is het hiermee ook uitgemaakt, dat ik er zelf niet het allergeringste aan toebracht; want iets te werken eer men geboren is, is ongerijmd.

Deze wondere zaak, dat een overtreder van Gods wet en een schender van zijn recht, in de vierschaar Gods toch een rechtvaardige wordt bevonden, moet dus buiten mij om tot stand zijn gekomen. „God was het die in Christus de wereld met zich zeiven verzoende, haar zonden haar niet toerekenende."

Waarin ligt nu voor deze wondere rechtvaardigverklaring van een ongerechtig man de grond?

Is er mee bedoeld, dat God u wel als Rechter veroordeelt, maar nu als Souverein Koning gratie verleent van de straf die over u was uitgesproken ? Zoo heeft men het wel voorgesteld, en metterdaad gaat het zoo bij aardsche vorsten toe. Er is een schuldige. De Rechter veroordeelt hem en spreekt zijn straf uit. Maar de macht van den souverein gaat boven deze rechterlijke uitspraak uit, en nu ontvangt hij gratie. Dit nu op God toepassende, heeft men ook in God scheiding gemaakt tusschen den rechter, die naar stipt en strikt recht vonnissen moest, en den meelijdenden Koning, die uit goede gunste gratie schonk.

Toch moet deze gansche voorstelling met tak en wortel uitgeroeid. Ziehier waarom. Dat een vorst op aarde gratie van een gewezen vonnis verleent, gaat uit van de onderstelling, dat de aardsche rechtspraak tot op zekere hoogte buiten staat is, om wezenlijk recht te doen; dat het hierdoor gebeuren kan, dat een aardsche rechter verplicht is iemand te veroordeelen die bij hooger rechtspraak niet op die wijs zou veroordeeld zijn; en dat alsnu de souvereine vorst, deze gebrekkigheid van de aardsche rechtspraak te hulpe komende, door het verkenen van gratie het recht herstelt. Dit kan ook niet anders, want de rechter en de souverein zijn niet twee personen* maar één. Een rechter spreekt op aarde recht in naam des konings, en het is dus zoogoed alsof de koning zelf in eigen persoon in elke rechtbank vonnis sloeg. David en Salomo zaten daarom ook zelf

E Voto II 21

Sluiten