Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

330

ZONDAG XXIII. HOOFDSTUK VI.

God moet leven, om zedelijken welstand en gelukzaligheid te genieten. Wordt nu de wet van uw ademhaling gestoord, dan stikt ge. Gestoord de wet van uw bloedsomloop, dat krijgt ge congestie. Gestoord de wet van uw spraakvermogen, dan stottert ge. En zoo ook, stoort ge de wet van uw zedelijk leven, dan komt ge zedelijk om.

De Wet is dus niet bedoeld als een macht, om u te bemoeilijken, maar juist omgekeerd, als een aanwijzing van Gods wege, hoe ge leven moet om in zedelijken welstand te verkeeren.

Die zedelijke welstand is dus Gods doel, de Wet slechts het instrument of middel. En zoo blijft het dus alleen de vraag, of God deze ordinantie zoo heeft gegeven, dat er bij storing redres mogelijk is, of niet. Als de wet van uw ademhaling gestoord is, of van uw bloedsomloop of van uw spraakvermogen, dan biedt de arts of medicijnmeester u hulp.

En dat niet door zijn vinding, maar omdat God deze wetten zóó gaf, dat er bij storing veelszins hulp mogelijk zou zijn. Welnu, zoo nu ook gaf God zijn Wet voor het zedelijk leven. Hij stelde ze namelijk zóó in, dat, wierd die Wet in haar werking gestoord en gebroken, Hij als de Opperste Medicijnmeester toch nog hulpe zou kunnen aanbrengen.

Er is dus tweeërlei ordinantie Gods. De ééne, dat alzoo de wet des zedelijken levens zal zijn. En de andere, dat, bijaldien er storing intreedt, bij Hem voorziening tegen die storing bestaat. En dat niet, doordien Hij die Wet alsdan opzij zet, maar naardien Hij door een daad zijnerzijds die storing wegneemt; en maakt dat het vanzelf weer naar die Wet gaat

Neem iemand die in zijn ademhaling gestoord is. Zoolang die gestoorde zijn best doet, om zelf de ademhaling te volbrengen, krijgt hij het hoe langer hoe benauwder. Maar komt nu de arts en brengt deze kunstmatig vrije lucht in de longen, dan komt er reeds aanvankelijk lucht; straks herneemt de ademhaling haar gewonen gang; en niet lang meer of de ademhaling gaat vanzelf, zonder dat de patiënt er om denkt. — Met den stotteraar gaat het evenzoo. Zoolang de wet van zijn spraakvermogen gestoord is, doet hij zijn best en spant zich in, om die wet toch te volbrengen, maar hij krijgt het al benauwder en stottert hoe langer hoe erger. Op het laatst kan hij niet meer. Maar komt nu een arts, die door aangebrachte hulp hem zijn rust hergeeft, dan is het gevolg, dat het spraakvermogen weer werken gaat, en dat hij ten leste vanzelf goed spreekt, haast zonder om de wet van zijn spraakvermogen te denken. — En zoo nu ook is het met de wet van het zedelijk leven. Is deze gestoord dan gaan wij ons best doen, om het kwaad te herstellen, maar met het

Sluiten