Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

336

ZONDAG XXIII. HOOFDSTUK VII.

Het is er mee als met de tegenstelling tusschen een eerloos en eerzaam burger. Een eerzaam burger is gerechtigd om alle burgerlijke handelingen te verrichten, een eerloos burger niet. Maar wie is nu eerzaam en wie is eerloos? Hangt dat in den burgerstaat af van wat ge metterdaad in uw binnenste zijt? In het minst niet. Ge weet toch ook wel, wat honderden oneerlijke burgers er zijn, die toch voor eerzame burgers doorgaan en vrij en ongestoord alle burgerrechten uitoefenen. Neen, dit hangt uitsluitend af van de verklaring van den rechter. Heeft de rechter u voor eerloos verklaard, dan stuit dit voor u alle burgerlijke handeling. Niet alsof daardoor bewezen ware, dat ge wezenlijk oneerlijk waart. Ook bij zulke vonnissen toch kan de aardsche rechter zich vergissen. En het is meer dan eens voorgekomen, dat een eerlijk man eerloos wierd verklaard, terwijl een wezenlijke bedrieger voor eerzaam doorging en als eerzaam door de overheid gehandhaafd wierd.

Het is dus de uitspraak en beslissing van de overheid, en deze alleen, die beslist of ge in den burgerstaat gelden zult en gerekend zult worden als een eerlooze of eerzame. Dat kon niet anders. Dit moet zoo. Alleen de overheid toch bepaalt uw staat in de burgermaatschappij.

Breng dat nu op God den Heere over, en de zaak zal u duidelijk zijn. Gelijk de overheid op aarde uitmaakt of iemand voor eerlijk of voor eerloos zal te boek staan, zoo ook maakt alleen God als Koning der koningen uit, of gij in het boek van het koninkrijk der hemelen bekend zult staan als een „gerechtvaardigde" of als een „goddelooke"; en naar dat God dat uitmaakt, geldt ge en wordt ge gerekend. Slechts grijpt hierbij dit onderscheid plaats, dat in de burgermaatschappij een ieder als eerlijk geldt tot hij eerloos verklaard is; en dat omgekeerd in het koninkrijk der hemelen een iegelijk die uit Adam geboren is, als een goddelooze geldt, tenzij de Koning hem voor rechtvaardig verklaart. Maar overigens blijft de zaak dezelfde: Het is God en God alleen, die als Koning der koningen uitmaakt, of gij zult te boek staan als een „goddelooze" of als een „rechtvaardige". Naar dat Hij in zijn boek schrijft, geldt ge en wordt ge gerekend.

Nu berust dit inschrijven in zijn boek bij God den Heere natuurlijk niet op wilkeur. Integendeel, toen Hij u als „rechtvaardige" inschreef, schiep Hij zelf alle genadekracht die eens dit zijn woord waar zou maken. Maar dit neemt niet weg, dat toch de daad zelve van de „rechtvaardigverklaring" slechts een souvereine daad van uwen Koning was, waardoor Hij u, hoewel ge in u zelf een goddelooze waart, nochtans uit den staat der goddeloozen overboekte op den staat der rechtvaardigen.

Juist echter omdat dit woord van uw God een scheppend woord over u

Sluiten