Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZONDAG XXIV. HOOFDSTUK II.

369

krachtens den organischen levensband waarin ze met Hem staan, zijner heiligheid en zijner zaligheid deelachtig worden. Zoo was het in' omgekeerden zin bij Adam. Tusschen dit ons eerste Hoofd en ons bestond deze dwingende samenhang, dat Adam door staande te blijven ons allen zou hebben opgehouden, en dus ook door te vallen ons allen in zijn val meesleepte en ons allen zijner onheiligheid en rampzaligheid deelachtig maakte. En daarop nu komt ook de mystieke unie tusschen Christus, ons nieuwe Hoofd, en de zijnen te rusten. Een mystieke unie waardoor we één plante met Hem worden, en krachtens deze saamhoorigheid zoowel naar zijn beeld veranderd worden, als deel erlangen in zijn eeuwige gelukzaligheid. Hoe dit toegaat, is elders bij het geloof en de rechtvaardigmaking verklaard, en komt later nog ter sprake. Hier mogen we ons van de hoofdzaak niet laten afleiden, en die hoofdzaak is: R dat God zijn Werkverbond niet had behoeven te geven, omdat we ook zonder dat als schepselen verplicht en gehouden waren Hem eèuwiglijk te dienen, lief te hebben en te gehoorzamen; 20. dat Hij zijn Werkverbond gegeven heeft als goddelijke declaratie om ons te prikkelen, en wel zóó gegeven, dat ons Hoofd over ons wel of wee zou beschikken, en wij krachtens onzen organischen saamhang met ons Hoofd in het wel of wee van ons Hoofd zouden deelen; 3». dat ons eerste Hoofd Adam dit verbond geschonden heeft, en daardoor ons in zijn onheiligheid en rampzaligheid had meegesleept; 40. dat daarop God de Heere ons een nieuw Hoofd in Christus schonk, welk Hoofd al onze schuld gedragen, al onze straf geboet, al ons werk gewerkt, al onze verdienste verdiend en al ons loon verworven heeft; 5<>. dat wij, die met dit nieuwe Hoofd in organisch verband staan, alzoo door Hem bewerkt worden, dat we nu zijner heiligheid en gelukzaligheid deelachtig worden; en 6<>. dat er voor ons derhalve noch van schuld noch van straf, en zoo ook evenmin van verdienste als van loon sprake kan zijn.

Vloeit hieruit nu voort, dat er voor ons geen verplichting meer bestaat ? Hoe kunt ge het vragen! Want immers die verplichting zou voor ons niet meer bestaan, zoo onze verplichting jegens God eerst door het Werkverbond ontstaan ware. Maar nu dit niet zoo is, nu onze gehoudenheid om God te dienen, lief te hebben en te gehoorzamen reeds vóór het Werkverbond, krachtens ons creatuurlijk bestaan tegenover den Schepper, bestond en eèuwiglijk blijft voortduren, nu volgt hieruit rechtstreeks, dat nooit of nimmer eenige macht in hemel of op aarde ons ontslaan kan van onze verplichting om Gode te leven. Slechts dit is het verschil, dat terwijl dit Gode leven, eertijds, hoe vaak ook beproefd, ons ondoenlijk

B Voto II

Sluiten