Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

398

ZONDAG XXIV. HOOFDSTUK VI.

Doch daar handelt de Catechismus hier niet over. Dat hoort bij de volharding der heiligen. Wat de Catechismus hier bespreekt is de bedenking, dat een kind van God, steunende op het volbrachte werk van Christus, nu stelselmatig in de zonde zou gaan leven, gelijk de Antinomiaan het doet.

En daartegen nu staat de heerlijke belijdenis, dat een kind van God een rank in den Wijnstok is, en dat het niet aan de rank staat, om het levenssap dat uit den Wijnstok opklimt, te stuiten.

Een lid van het lichaam kan niet den stroom van het bloed keeren, maar wordt door de levenswarmte van dien stroom telkens zelf warm.

Doch juist daarom moet er dan ook zoo ernstig op aangedrongen, dat de Dienst des Woords toch krachtig doorga. Want hier heeft de Semipelagiaan volkomen gelijk in, zoo de dienst des Woords het laat bij de aanzegging, dat het in Christus alles voor ons volbracht is, en niet zeer beslist het juiste spoor des levens aanwijst, waarin Gods kind alsnu wandelen zal; zoo met andere woorden, de bestraffing en de waarschuwing en het vermaan uitblijft, — dan ontbreekt er iets, dat God naar zijn Woord gewild heeft dat er zijn zou. En dan behaagt men door zulk een prediking ja, den heimelijken zondaar, maar Gods echte kinderen bedroeven zich. Want zij hebben Psalm CIX niet voor niet gelezen; en kunnen er geen vrede mee hebben, als er op den kansel een toon des gejubels over alles vernomen wordt, maar als er geen roem en prijs en lof is voor de onnaspeurlijke schoonheid van Gods heilige Wet.

Sluiten