Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

402

ZONDAG XXV. HOOFDSTUK I.

ook maar iets in het genadewerk, tenzij God de Heilige Geest zelf deze middelen aangrijpe en gebruike om er door te zegenen. Voor ons is de Heilige Schrift zonder de bijkomende werking van den Heiligen Geest een dood boek, en zijn evenzoo de bestanddeelen van de Sacramenten gewone natuurproducten, zoodat er nooit of nimmer genadewerking kan plaats hebben dan door den Heiligen Geest. De Roomsche kerk daarentegen, die beweert dat in de kerk zelve, als goddelijk organisme, de bovennatuurlijke krachten gedeponeerd zijn, beschikt over die macht des Heiligen 'Geestes, heeft ze altoos tot haar dispositie, en deelt alzoo zelve genade uit. Bij haar staat dus feitelijk de kerk tusschen God en den geloovige in, en de geloovige heeft alleen door die kerk met God gemeenschap, ja God alleen gemeenschap met den geloovige, door die kerk. En hiertegenover nu hielden de Gereformeerden steeds staande, dat God de Heilige Geest zelf de Werker blijft, zonder wiens werking er geen genade geschiedt. Dieper mag hierin thans niet doorgedrongen, maar het hoofdpunt van verschil dient toch duidelijk in het oog gevat. Bij Rome heeft de kerk de beschikking gekregen over de werkingen van den in haar wonenden Heiligen Geest, zoodat haar daad en handeling altoos het gewilde effect had. Waartegenover de Gereformeerde kerk staande houdt, dat de Heilige Geest wel woont in het mystieke Lichaam van Christus, maar zonder dat daarom de kerk in het zichtbare daarvoor op kan treden, en dan nog altoos met dien verstande, dat de verhoogde Christus als Hoofd van dit mystieke Lichaam, zijn kerk zelf regeert, en alzoo den Heiligen Geest werken laat, niet gelijk de kerk goedvindt, maar gelijk Hij wil.

Een derde opinie naast en tegenover deze twee, is de meening der geestdrijvers en mystieken, die schier door alle eeuw heen tegenover de kerk zijn opgetreden. Hun standpunt toch is, dat de Heilige Geest zich niet alleen aan de kerk niet gebonden heeft, maar dat de Heilige Geest geheel buiten de kerk om werkt. Zij ontkennen dus het bestaan van alle genademiddel in eigenlijken zin. Want wel zijn er ook onder deze geestdrijvers of mystieken, die nog zekere waarde toekennen aan de Heilige Schrift, of ook zich doopen laten en onder elkander een soort nabootsing van het Avondmaal houden, maar bij de meesten raakt ook dit alles na korte dagen in onbruik, om hen alleen en uitsluitend op ingeving en visioen te laten drijven. En waar deze genademiddelen dan nog in zekere waardij worden gehouden, eert men ze hoogstens als een a.b.c.-boek voor eerstbeginnenden, als melk voor de kinderkens en als een kruk om het loopen te leeren, maar acht ze voor de „volmaakten", en „ingewijden" en „innerlijk verlichten" niet slechts overbodig, maar schadelijk. Het ware

Sluiten