Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZONDAG XXV. HOOFDSTUK III.

417

zou, voor Hem gereed lag, eer Mozes Gen. I : 1 opschreef, en dat dus de eigenlijke ontwerper van deze geheele Schriftuur niet Mozes, of Samuël, of David, of Jesaja was, maar de Heere zelf. Dit drukten onze vaderen uit door de onderscheiding tusschen tweeërlei schrijvers; de auctor primarius of hoofdschrijver was hun dan de Heilige Geest, en de auctores secundarii of ondergeschikte teboekstellers waren hun dan de profeten en apostelen.

Zoo is dan die Hoofdauteur dezelfde in alle boeken, en zijn de ondergeschikte teboekstellers slechts zijn uitvoerende dienstknechten geweest. Niet alsof deze laatsten daarom slechts als stomme machines dienst deden. Wanneer eenzelfde virtuoos de ééne maal op een hoorn, de andere maal op een fluit, en dan weer op een bazuin, trompet of klarinet blaast, is het één en dezelfde adem, maar die juist daardoor zoo verschillende tonen te weeg brengt, dat hij telkens een zeer onderscheiden instrument koos. Het is dus volstrekt onwaar, dat de ingeving van den Heiligen Geest de persoonlijke eigenaardigheden van de profeten, psalmisten en apostelen zou vernietigd of onderdrukt hebben. Integendeel, elk dezer mannen en elk dezer soort van mannen was door den Heiligen Geest juist op zeer onderscheidene wijze geschapen, bereid en toegerust voor de onderscheidene diensten die ze zouden te volvoeren hebben. Vandaar dat Spreuken een geheel ander geluid geeft dan de Openbaringen, de Psalmen dan de boeken van Mozes, Jesaja dan Paulus, en Petrus dan Jacobus. Veeleer moesten deze mannen in hun zielsbestaan, in hun persoonlijk karakter en tot in hun woordkeus en stijl toe, elk een geheel eigenaardig type dragen, om saam voor de voltooiing van dit groote werk bekwaam te zijn.

Ook het zeggen dat er zooveel geschriften zijn te loor gegaan, vervalt op dit standpunt geheel. Immers dan geven we voetstoots toe, dat Mozes wel tien- en twintigmaal zooveel kan en zal geschreven hebben, als wij nu van hem hebben; dat Paulus misschien wel drie- en vierhonderd brieven op het perkament heeft gebracht; en dat David allicht wel driemaal zooveel psalmen heeft gezongen als we van hem bezitten; maar dan houden we staande dat naar het organisch bestek van de Heilige Schrift alleen deze boeken en geschriften, alleen deze psalmen en brieven in de Schriftuur thuishoorden, en dat er voor al dien overigen voorraad geen plaats in was. En dat wel in dien zin, dat al wierd er morgen in een oud Oostersch klooster wie weet hoeveel Schriftuur nog ontdekt, die van David of Paulus afkomstig was, deze toch geen deel van de Heilige Schrift zou mogen of kunnen uitmaken. Gelijk Johannes aan het slot van het laatste hoofdstuk van zijn Evangelie zegt: „Jezus heeft nog wel vele

E Voto II „

Sluiten