Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZONDAQ XXV. HOOFDSTUK IV.

423

doelde hij hiermee de prediking van het vervulde Evangelie, dat destijds in het Nieuwe Testament nog niet haar schriftuurlijken vorm ontvangen had, maar nog pas bezig was dien te krijgen; terwijl voor ons die schriftuurlijke vorm in het Nieuwe Testament reeds gegeven is. Juist hieruit echter blijkt, dat hetgeen geloof wekt, wederbaart, levend en eeuwig blijvend is, niet is het boek der Schriftuur als zoodanig, maar wel het Woord van almachtige genade, dat het tot onze wetenschap en te onzer kennisse brengt. Wie de Heilige Schrift, als ze op zijn tafel ligt, ook maar één oogenblik zich los denkt van den levenden God, voor dien hield ze op Gods Woord te zijn. Voor een iegelijk daarentegen, die als hij de Heilige Schrift openslaat, deze in rechtstreeksch verband met den levenden God weet, zoodat het niet Mozes of Jesaja, niet Petrus of Paulus, maar God zelf is, die hem deze verhalen verhaalt, deze zielsbevindingen meedeelt en deze beloften en openbaringen brengt, voor dien leeft die Schrift, voor dien tintelt ze van heerlijken glans, dien is ze een lamp voor zijn voet en een licht op zijn pad.

Natuurlijk kon God de Heere voortgegaan zijn tot een iegelijk onzer afzonderlijk te spreken, gelijk Hij het eens deed tot Noach en Abraham; maar Hij heeft goedgevonden dit niet te doen. Het heeft Hem beliefd, een geschiedenis van het Genadeverbond in het leven te roepen, en deze geschiedenis van het Genadeverbond voor ons in photographie te brengen op het blad der Heilige Schriftuur. Het is dus ijdel pogen en reageeren tegen het doen Gods, indien thans de mensch nog langs den gevoelsweg eigen openbaringen van God zoekt te erlangen, of erger nog, door het oproepen van dooden, kennis poogt te erlangen van de dingen aan de overzijde van het graf. De Heilige Schriftuur snijdt dit alles af en sluit het uit. Niet alsof er geen persoonlijke openbaring meer van den Heiligen Geest in het hart van Gods kinderen zou zijn; maar deze werking van den Heiligen Geest is thans nooit anders dan ontdekkend, verzoenend en vertroostend, en het heil, waarvan de Schrift getuigt, in al zijn omvang, toepassend. Nooit is die werking thans los van de Heilige Schrift; altoos veronderstelt ze die Heilige Schrift; nooit gaat ze boven die Heilige Schrift uit; of voegt er iets aan toe. Het zou dus gruwelijk zijn, zoo er ooit voorwerpelijke leeraars opstonden, die het werk van de toeëigening en de toepassing van den Heiligen Geest niet in al zijn rijkdom naspeurden, en tot troost der geloovigen wisten uit te leggen. Maar ook het zou een onderstbovenkeering van Gods ordinantiën zijn, indien er mystieke stroomingen opkwamen, die een werk des Heiligen Geestes voorgaven buiten de Heilige Schrift om, en boven de Heilige Schrift uitgaande. Bevinding

Sluiten