Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

478

ZONDAG XXV. HOOFDSTUK XII.

maken, dat men weer aan Jezus denkt, gaat ook niet door. Immers om naar het Avondmaal te gaan, moet ik vooraf reeds aan Jezus en zijn lijden gedacht hebben, anders ga ik er niet heen. En is het enkel te doen, om te midden van de veelvuldigheden des levens aan Jezus herinnerd te worden, sla dan den Roomschen weg in, en plaats allerwegen een crucifix, en hetzelfde doel zal nog veel beter bereikt zijn.

Langs dien weg is dus nooit voor het Sacrament een afdoende beteekenis te gewinnen. Want wel voegt men er dan bij, dat God ons door dit Sacrament weer van zijn ontferming getuigenis geeft en van zijn genade verzekert. Maar ook hiermee komt men niet uit. Immers, diezelfde betuigingen en verzekeringen heb ik ook reeds in het Woord, en voorzoover het Sacrament heeten zal mij die te geven, moet ik ze er toch uit het Woord bijhalen. Bovendien kan een door menschen aangerichte plechtigheid, zonder meer, mij reeds daarom nooit deze verzekering van Gods zijde brengen, omdat een verzekering, die ik mij zelven verschaf, nooit een verzekering van Godswege zijn kan. De uitkomst heeft dan ook geleerd, dat, allerwegen waar deze opvatting doordrong, het Sacrament al meer verlaten en verwaarloosd wierd, tot het ten slotte geheel in onbruik raakte.

Het is om deze reden, dat Calvijn zoo dringend ernstig tegen deze Sacramentvernietigende voorstelling is opgekomen, en er zoo met hand en tand voor gestreden heeft, dat toch de genadewerking in het Sacrament voor onze ziele leven mocht.

Richt de mensch het Sacrament aan, en is wat de mensch aanricht, heel het Sacrament, dan nut het niet en baat het niet en is het een ijdele, onbeduidende vorm. Maar is hetgeen de mensch aanricht en doet slechts de vorm van het Sacrament, en bestaat het wezenlijke van het Sacrament in de werking die Christus door den Heiligen Geest uit den hemel in onze harten werkt, dan natuurlijk komt de zaak heel anders te staan. Dan strekt de eenvoudige vorm van het Sacrament slechts om voertuig te zijn voor de Goddelijke werking, en hangt bij het Sacrament alles aan het geloof in ons, waardoor we die Goddelijke werking aannemen en gelooven.

Op die genadewerking, die door den Heiligen Geest van Christus, die in den hemel is, naar onze zielen uitgaat, komt het dus bij het Sacrament eigenlijk aan. Heeft Christus het eenmaal zoo verordend, dat Hij deze bijzondere sacramenteele genade verbonden heeft aan de gehoorzaamheid, waarmee zijn kerk deze plechtigheden zou aanrichten, dan verkrijgt de eenvoudige aanrichting van en toetreding tot het Sacrament reeds als zoodanig de beteekenis van een daad van gehoorzaamheid; en ziet wie het

Sluiten