Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZONDAG XXVI. HOOFDSTUK V.

533

koude ziel, een frisschen geest; natuurlijk alles eigenschappen, ontleend aan hetgeen we aan ons lichaam waarnemen. In de keuze van het water, als voertuig en vorm voor een werking die op de ziel gaat, ligt dus niets vreemds. Het is taal in beeld. Ge ziet water. Water doet u aan reiniging denken. En ge weet dat hier niet bedoeld wordt een reiniging van het lichaam, en dat dus moet bedoeld zijn, een reiniging van de ziel.

Moeilijker is de zoo gewichtige tweede vraag te beantwoorden: Welke bepaalde genadewerking door Christus' souvereine instelling aan dezen uitwendigen vorm van het Doopwater verbonden is. Voor dit punt verzoeken we dan ook zeer bijzonderlijk de aandacht onzer lezers, omdat juist op dit punt zoo schromelijk misverstand bestaat. Waar dit aan ligt zal u duidelijk worden, zoo ge even indenkt, dat het Doopwater beeld kan zijn, zoowel van een genadewerking, die voorafging aan den Doop, als van zulk eene die bij den Doop zelf plaats heeft; of ook eerst later op dien Doop volgde. Men kan een beeld of symbool, gelijk het Doopwater ongetwijfeld is, beeld laten zijn van iets in het verleden, in het heden of in de toekomst. Dit kan voor niemand onduidelijk wezen; en evenmin zal het tegenspraak vinden, dat men in onzen tijd den Doop bijna algemeen zóó opvat, als sloeg het Sacrament des Doops uitsluitend op een genadewerking in de toekomst.

Men zegt dan tot zich zelven, in min of meer bewuste woorden: Ja, waarlijk, de heilige Doop beeldt af de afwassching onzer zonden door het bloed van Christus. Bedien ik nu den Doop aan een jong kindeke, dan spreekt het vanzelf, dat er in dit kindeke nog geen genade werkt. Het ligt ook in den aard der zaak, dat er op dat oogenblik zelf van den Doop geen genade naar zulk een jong wicht in de ziel kan uitgaan. En er blijft dus niet anders over, dan dat de Doop doele op de mogelijkheid, dat ook dit kindeke bij het opwassen tot bekeering kome en alzoo deel aan de reiniging der zonden erlange. Nu doet, zoo gaat men dan voort, de Doop zelf hieraan wel niets af noch toe; maar de Doop is dan toch een plechtigheid, die de ouders opwekt om hun kinderen Christelijk op te voeden, die op later leeftijd dikwijls voor die kinderen zelf een prikkel is om naar Jezus te gaan vragen; en die in de gemeente de verplichting, om het Evangelie in eere te houden, „telkens verlevendigt".

Zoo en niet anders wordt thans in den regel de Doop opgevat; en zoo moet hij opgevat worden door een ieder die drijft op de gangbare opinie, zonder het wezen van het Sacrament zelf in te denken en terug te gaan tot de bron der Heilige Schrift, en tot de kostelijke uitlegging van die Schrift, die in den loop der eeuwen door den Heiligen Geest aan de kerk

Sluiten