Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZONDAG XXXVIII. HOOFDSTUK III.

23

in de wereld. En het is tegen dit gevaar en tegen die zondige, ongeloovige neiging dat nu het gebod Gods zich stelt. Ge zult en moogt niet in het aardsche leven verzinken. Ge zult en moet u door dat hoogere leven beademen laten. Gods eigen leven zal en moet regel en ordinantie voor uw leven zijn. En daarom zult ge den Rustdag vieren, opdat telkens weer de macht van het wereldsche, aardsche leven gebroken worde; en daarom zult ge op den Rustdag de kerk van Christus tot openbaring brengen, opdat gedurig weer dat hoogere, geestelijke leven, met een eigen gestalte, en met een eigen levensvorm, in dat gemeene leven der wereld inschuive.

Uit twee stukken bestaat dat houden van het vierde Gebod alle de dagen onzes levens; stukken die onze Catechismus eerst negatief en dan positief merkt. Het negatieve is: Dat ge vieren zult van uwe booze werken. Het positieve is: Dat ge God in u zult laten werken. En het is uit de saamvoeging van deze beide, dat het hemelsche leven, d. i. de eeuwige Sabbath, reeds hier op aarde geboren wordt.

Ook dit gebod is dus in zijn kern echt-Gereformeerd, en beslist Calvinistisch, of, om het juister uit te drukken, ook uit dit vierde Gebod blijkt weer de echtheid en zuiverheid van onze Calvinistische belijdenis, die de practijk van de Christelijke religie juist zoekt in het afsterven van den ouden en de opstanding van den nieuwen mensch. Immers dat vieren van onze booze werken is niets anders dan de afsterving van den ouden mensch, en dat laten werken van God in ons is feitelijk niets anders dan het opstaan van den nieuwen mensch. Eenerzijds een levensuiting die tot zwijgen moet worden gebracht, en anderzijds een levensuiting die in ons moet opgewekt. En die op te wekken levensuiting is nooit vrucht van wat wij doen of pogen, maar uitsluitend van de gewilligheid waarmee wij onzen geest tot instrument stellen, opdat God de Heilige Geest zijn werk in ons doe en uitrichte.

Vieren van onze booze werken is een uitdrukking van bevrijding. Het teekent u het kind van God als van nature slaaf der zonde, en daarom telkens en telkens er toe gebracht, om tegen zijn zin en wil, allerlei onheilig werk in den dienst van Satan en wereld te doen. Maar, naar gelang nu het hoogere leven macht over hem krijgt, raakt hij onder die dienstbaarheid uit; die booze heerschappij wordt gebroken; en ten leste kan hij zoo zalig rusten van zijn vroegere zonde, dat er zelfs de aandrang toe wegviel, of althans de drijver ophield. En daardoor juist komt dan ruimte voor het „laten werken van God" in zijn hart.

Twee dingen kan ook een kind van God niet tegelijk doen. Hij kan niet tegelijk onder het juk van de zonde doorgaan en tegelijk den Heiligen Geest in zich doen werken. Zal dus die goddelijke werking in zijn wil

Sluiten