Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

38

ZONDAQ XXXVIII. HOOFDSTUK V.

de waarneming van hun goddelijk beroep. Uw leden moeten als goede Calvinisten door getrouwe plichtsbetrachting, door meerder ijver, door meer hun hart op hun werk te zetten, meer verdienen dan anderen. En het is nu juist uit die meerdere verdienste dat het geld moet komen, om uw kerkedienst en wat er bij hoort in stand te houden. Deugdelijke predikatie moet ons Calvinisten soberder en zuiniger maken, zoodat we meer overhouden. Ze moet ons spaarzaam en zuinig doen huishouden. En aldus moet door meerdere verdiensten en minder uitgaven overvloedig geld voor den dienst des Heeren beschikbaar komen. Maar juist daarom moeten dan ook de scholen onderhouden; scholen practisch en degelijk, op Gereformeerden grondslag ingericht en in staat om de leden der gemeente te bekwamen voor hun optreden in de maatschappij. Zoo hangt dus alles samen. De kerk moet de scholen, niet stichten, noch ook zelve houden, maar haar bloei en deugdelijkheid bevorderen; en omgekeerd moet weer de school een der middelen zijn, om den kerkedienst financieel mogelijk te maken, en de predikatie op goede hoogte te houden.

Van den kerkedienst zeiven handelen we bij dit gebod niet. Dit is geschied bij het leerstuk der Kerk en bij dat der Sacramenten. En ook bespreken we hier niet den Christelijken dienst der Barmhartigheid, omdat deze deels bij het leerstuk der Kerk thuishoort, en deels later ter sprake komt bij het achtste Gebod. Slechts zooveel zij hier, wat het laatste punt aangaat, uitgesproken, dat het Calvinisme niet rekent op het eigenlijke pauperisme in eigen boezem, omdat goede deugdelijke predikatie, doortastende kerkregeering, en een goede school, zoo goed als alle pauperisme onder de leden der gemeente onmogelijk moet maken. In eigen boezem moet eigenlijk alleen te zorgen zijn voor hulpelooze weduwen en weezen, en voorts voor hen, die door ziekte of ongeval tijdelijk in nood verkeeren. Maar wel ligt het op onzen weg, ook te zorgen voor die buiten zijn, en gelijk Jezus het land doorging om te zorgen voor blinden en dooven en kranken en die van den duivel bezeten waren, en om hongerigen te spijzigen, zoo behoort ook nu de kerk van Christus in het midden der maatschappij te staan als een weldoenster van wat in armoede verzonk en als een helpster van wat lijdt en ongelukkig is. En al is nu ook ons bekend, hoever we van dit ideaal nog af zijn, toch moet steeds weer op dit ideaal gewezen worden. De predikatie moet meer nog dan de diaconie de armoede in eigen boezem te keer gaan, en de vrucht der predikatie moet meer en meer worden, dat de Calvinisten ook in hun wereldsch beroep goede zaken maken, en alzoo de middelen erlangen, om door ruime milddadigheid de eere van Christus in de wereld op te houden.

Sluiten