Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZONDAG XXXDC. HOOFDSTUK IV.

65

opzicht staat dit gebod tegenover ouders of overheden volkomen gelijk. De eere die we hun hebben toe te brengen, komt hun toe, noch omdat ze zoo voortreffelijk noch omdat ze ons zoo lief zijn, maar omdat ze door God over ons gesteld zijn. Nu mag dit bij een vader of vorst, die in sterke mate u liefde afdwingt, meer vanzelf en gemakkelijk gaan, maar toch ook een vader, die u bedroeft, of een vorst, die door zijn wetten en maatregelen u het leven bemoeilijkt, moet, wat de gehoorzaamheid aan zijne bevelen betreft, even stipt en willig door u geëerbiedigd worden; want goed of kwaad, de vader en de vorst blijven bekleed met de autoriteit, die God op hen gelegd heeft. Ze zijn instrumenten; de organen van zijn wil.

En werpt ge nu tegen, dat toch gedurig allerlei vaders en moeders, en zoo ook allerlei vorsten en vorstinnen, dit gezag misbruikt hebben, de opvoeding van kroost en volk hebben verwaarloosd, en alzoo oorzaak zijn geworden, dat hun gezin te gronde, of het volk zedelijk en sociaal achteruitging, dan is dit volkomen waar, maar dit verzwakt het vijfde Gebod, en wat hieruit voortvloeit, in het minste niet. Waren er menschen zonder zonde beschikbaar, dan zou God de Heere de zoodanigen met macht over de volken bekleed hebben; doch ze zijn er niet. Allen hebben gezondigd en derven de heerlijkheid Gods. God kon dus niet anders dan zondaren of zondaressen over de volken stellen, en kon ook u niet anders dan uit een zondigen vader en zondige moeder laten geboren worden. Het is dus niet Gods schuld, maar de schuld van ons geslacht, dat er over een zondig geslacht alleen zondige personen met macht kunnen bekleed worden. En als ge nu indenkt, hoe alle zonde uit geestelijken hoogmoed en van Satan en van Adam opkwam, dan spreekt het toch wel vanzelf, dat ge een zondig mensch nooit met zulk een macht bekleeden kunt, of die macht zelve brengt de verleiding mede, om haar te misbruiken. Het is dus volstrekt niets vreemds, zoo de macht misbruikt wordt, maar eer te verwonderen, zoo ze niet wordt misbruikt. En uit dien hoofde kunt ge veilig zeggen, dat het een stuk van Gods algemeene genade is, als Hij aan een volk vorsten schenkt, gelijk Engeland er een in Willem III, onzen Prins van Oranje, ontving; en dat het evenwel een teeken van Gods gunste is, zoo een kind zeggen mag een vader te bezitten, die hoog in zijn schatting staat, of een moeder, die beseft hoe de van God ontvangen macht ten beste van haar kroost moet aangewend.

Bovendien zijn het op staatkundig gebied niet enkel de volken, die de vorsten slecht maken. Terwijl toch reeds in de macht die ze ontvingen, zulk een gevaarlijke verleiding voor hen ligt, omringt men toch de tronen niet zelden met een kring van laffe vleiers, die de vorsten bejegenen, alsof ze goden waren. Men baadt de vorsten in een weelde, zoo overstelpend,

E Voto IV 5

Sluiten