Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZONDAG XXXIX. HOOFDSTUK V.

71

optreden; dat er in de steden en dorpen burgemeesters zijn; dat er een rechterlijke macht is; dat er voor eiken tak van dienst inspecteurs en heel een hiërarchie van ambtenaren bestaan. En voor zoover nu deze personen die in naam van den vorst, op zijn last, en door hem gemachtigd optreden, treedt de vorst in hen op, is het zijn gezag dat door hen wordt uitgeoefend, en weerstaat de majesteit van den koning en in hem de majesteit Gods, wie zich tegen deze uitoefening van het gezag te weer stelt. Het thans zoo telkens voorkomend verzet van het straatvolk tegen de politie is dan ook verre van een geringe zaak. Het toont, dat het volk in den dienaar van het gezag geen drager van de hoogste autoriteit meer ziet. Er blijkt uit dat de politie het besef van haar hoog karakter mist en daardoor haar zedelijk prestige inboet. En men ziet er uit, hoe én bij wie het gezag uitoefent én bij wie aan het gezag onderworpen is, het „ontzag voor de hooge hand om Gods wil" almeer uitslijt. Buigt de vorst zich in zijn qualiteit als vorst niet langer in stillen eerbied voor God almachtig, dan heeft dit, na verloop van tijd, vanzelf ten gevolge, dat ook het gepeupel de hand tegen de politie opheft. Beiden toch zijn in den grond volmaakt een en hetzelfde. Een koning, die zich als vorst van het land niet verootmoedigt voor den Heere der heirscharen en èen woesteling, die op straat de politie te lijf gaat, staan schuldig aan een zonde, die in graad verschillen mag, maar in soort één is; en wel zoo één, dat de vorst die zich tegen de ordinantie Gods verzet, met het oog op de gevolgen van zijn daad, tienmaal schuldiger staat dan de bravo onder het janhagel. Doch hoe dit ook zij, de overdracht van het gezag en voor wat de uitvoering aangaat, is nu eenmaal een menschelijke noodzakelijkheid. Toen God het gezag over menschen op menschen legde was vanzelf in deze daad de geoorloofdheid van deze overdracht, ter oorzake van haar onafwijsbare noodzakelijkheid, gegeven.

Soortgelijke overdracht grijpt echter volstrekt niet alleen bij het Rijksgezag plaats, maar evenzeer in het huisgezin. Ook de vader en moeder kunnen niet altoos bij al hun kinderen alles zelf doen. Ook zij moeten vaak tusschenpersonen bezigen, en ook bij dit gebruik van tusschenpersonen ontstaat voor het kind een verplichting om te gehoorzamen, op grond hiervan dat ze door vader en moeder onder anderen en anderen over hen gesteld zijn. Is vader niet tegenwoordig, dan gaat vanzelf alle gezag op de moeder over, en wierd de moeder weduwe dan bezit zij het rechtstreeks. Maar ook zonder het intreden van deze toestanden komt het telkens voor, dat de ouders een of meer van hunne kinderen onder anderen plaatsen, onder een ouderen broeder of zuster, onder een dienst-

Sluiten