Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

80

ZONDAG XXXIX. HOOFDSTUK VI.

die deze noodzakelijkheid niet gevoelt, dan elke klem voor het recht zou missen. Om als mensch over menschen een wet te kunnen instellen, moet ge het récht daartoe ontvangen hebben, óf door hun toestemming óf van een die uit eigen hoofde over hen te gebieden heeft. Recht door toestemming brengt u echter nooit verder dan tot een particuliere vereeniging. Ge steunt dan op den vrijen wil, en krijgt in plaats van onderwerping aan uw gezag, juist omgekeerd onderwerping van het gezag aan den vrijen wil der menschen. Er is dus niets anders mogelijk, dan dat ge het recht om aan menschen de wet te stellen, ontvangt van een, die uit eigen hoofde over hen te zeggen heeft; en wie nu is dit anders dan hun Schepper, die, wijl Hij hun Schepper is, vanzelf met hen doen kan, gelijk de pottenbakker met het leem. Beseft en erkent dus een iegelijk mensch, dat God hem de wet kan stellen en vrijelijk over hem beschikken kan; en treden nu de ouders en de overheden op, als door dien God met macht bekleed, om het recht over hen te bestellen en onder hen te handhaven; dan natuurlijk ligt de rechtsordening onder menschen vast in de consciëntie en handelt de drager van het gezag in het besef van zijn ontvangen last.

Daaruit echter volgt dan tevens, dat de menschelijke rechtsordening nooit anders dan een surrogaat is om der zonde wil; dat zulk een menschelijke rechtsordening steeds in organisch verband moet staan met de rechtsordening die God zelf bestelt en handhaaft; en ook dat, waar tusschen beide strijd ontstaat, de laatste in ons besef altoos voor de eerste moet wijken.

De rechtsordening onder menschen is een surrogaat om der zonde wil. Dit gevoelt ge het best zoo ge denkt aan iemand, die eerst met twee gezonde beenen loopen kon, maar nu één been breekt, en deswege in een verband, een beugel of op een kruk moet gaan. Vóór hij zijn been brak, droeg hij in zijn been zelf de ordening voor het gaan, die God zelf in onze natuur besteld heeft. Die wet van het gaan was in hem, ook zonder dat hij het merkte, en stiptetijk naar die wet liep hij vanzelf. Nu echter viel hij, brak zijn been, en na dien val gaat het met die wet van het loopen niet meer. Thans moet er een verband, een kruk of beugel komen, en moet door een arts geleerd worden, wat de regel is waarnaar hij zich thans heeft te bewegen. Van dat oogenblik af leeft hij dus onder een wet die de arts hem zegt, dat bij het gebruik van beugel of kruk geldt. Geneest daarentegen zijn been, dan werpt hij beugel en kruk weer weg, en loopt weer vanzelf naar den levensregel, dien God voor het gezonde been gaf. En zoo nu ook hier. Een geslacht der menschen zonder zonde zou vanzelf leven naar de door God den mensch en zijn geslacht ingeschapen

Sluiten