Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

100

ZONDAG XL. HOOFDSTUK II.

desniettemin later als menschenmoorders terecht stonden. Bovendien toont elke oorlog op maar al te droeve wijze hoe men, eenmaal over het eerste wreede gevoel heen, zich, o, zoo gemakkelijk aan het dooden van zijn naaste went. De historie verhaalt ons dan ook genoeg hoe in vroeger eeuwen het moorden vrij kras toeging. Nu nog hecht men in China en Japan uiterst weinig aan een menschenleven. Hoe er onder den terreur te Parijs mee werd omgesprongen, is overbekend. De jongste historie der lijfstraffelijke rechtspleging toont duidelijk dat fijne, beschaafde heeren en dames even wreed kunnen moorden als de ruwste onverlaat. De nog telkens voorkomende kindermoord door de eigen moeder bewijst, dat noch het vrouwelijke hart noch de moederlijke liefde hier waarborg biedt. Het dusgenaamde „engeltjesmaken" op groote schaal verraadt een afgrijslijke, beestachtige wreedheid, waarvan ge u nauwlijks een denkbeeld maakt. En als ge dan uit verre landen hoort van de koppensnellers of van het gewezen hof van Dahomey, waar men het menschenbloed ter verhooging der feestelijkheid bij stroomen vergoot, dan bedenke men wel, dat in het beschaafde Rome in den keizerstijd vooral heel de aanzienlijke wereld in openbare gebouwen bijeenkwam, om het doodfolteren en martelen van krijgsgevangenen, van gladiatoren, van gevangen Christenen en wie niet al, door mensch of dier aan te zien. Laat u door den inbindenden, beteugelenden en verzachtenden invloed, dien allengs het geordende onzer maatschappij en het heiliger karakter van onze Christelijke samenleving heeft gehad, dus niet op het dwaalspoor leiden. In zedelijken zin is het menschelijk hart nog steeds wat het voor eeuwen was, en indien de gelegenheid maar nijpt en de omstandigheden er naar zijn, zult ge nog steeds ontdekken, dat er in dit, soms zoo boeiende, menschenhart, wel terdege nog altoos een bloeddorst en moordlust schuilt, waar ge van ijst.

Tegenover dit kwaad nu staat geen ander redmiddel dan de genade. Voor het innerlijke de zaligmakende genade, die uw moordlust omzet in vijandsliefde, en voor het uiterlijke de gemeene genade, waardoor God de Heere den brand van ons hart tegenhoudt, dat het vuur der ongerechtigheid wel van binnen smeult of vonkt, maar niet laaie uit kan slaan.

Die gemeene genade rust sinds den zondvloed in het verbond, dat God in Noach, met al wat adem heeft, sloot. Dit Noachietisch verbond heeft natuurlijk niets gemeen, met wat wij kortheidshalve het Genadeverbond noemen, want het omvat alle menschen en zelfs de dieren. We lezen toch in Gen. IX : 9: „Ik, zie Ik richt mijn verbond op met u en uwen zade na u en met alle levende ziel die met u is, van het gevogelte, van het vee en van alle gedierte der aarde met u." Ter juiste onderscheiding is men deswege gewoon dit verbond na den Zondvloed, het Verbond van

Sluiten