Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

104

ZONDAG XL. HOOFDSTUK II.

hooger dan uzelven; een stil verdragen; een uzelven niet wreken; een u onthouden van nijd en achterklap en lastering; en zooveel meer, juist als die vruchten des Geestes gepredikt, waarin het nieuwe leven zich moest uiten.

Dit alles nu wil de Heilige Geest onder en in menschen werken door kweeking van de liefde voor God. De heilige Johannes zegt het zoo stellig: „Wie liefheeft Hem die geboren heeft, die zal ook liefhebben diegenen die uit Hem geboren zijn." Juist dus hetzelfde beginsel waarvan het gebod in het Noachietisch Verbond uitgaat; want daar heet het, dat ge niet zult dooden, omdat de mensch naar Gods beeld geschapen is. En David in worsteling met Simeï reikt ons den sleutel tot het mysterie, dat ons stille tegenover den vijand doet zijn, als zij zegt: „Simeï zou mij niet kunnen vloeken, als God niet tot Simeï gezegd had: „Vloek David". Vader Cats maakte dit met het beeld van den hond duidelijk, die, als gij hem met een steen werpt, niet in uw been, maar in dien steen bijt. Een gedachte die de Heere zelf, op andere wijze en veel schooner, bij Jesaja aldus aangeeft, dat ge onderscheid zult maken tusschen de zaag en hem die de zaag trekt, en zoo'ook tusschen hem die de bijl hanteert, en de bijl die u den slag toebrengt: Hierin ligt dus al het geheim, dat ge uw Pelagianisme ook ten opzichte van uw vijand, uw tegenstander, uw wederpartijder uitbant, en weer als goed Calvinist gelooft in de souvereiniteit des Heeren. Dan toch hebt ge in den zondigen zin van het woord geen vijand meer. Dan is elk tegenstander die u in den weg treedt, iemand die u medewerkt ten goede. Dan is het God, die hem daar plaatst, niet bij vergissing maar met een bedoeling. En dan zijt ge zeker, dat ge vrucht van uw vijand zult hebben, mits gij maar nooit vergeet het overblijfsel van het beeld Gods, en alzoo den mensch, ook in hem te eeren.

Waan intusschen niet, dat zulks in uw vrucht van redeneering zou kunnen zijn. Of ge dit uzelven toch al tienmaal voorzegt, baat U niets, zoolang ge het niet gelooft, door geloof in u opneemt, en als een geloofskracht in u werken laat. Want natuurlijk komt het hierbij op de stemming van uw hart aan, en op die stemming heeft de beste redeneering bijna geen invloed. De stemming van uw hart wordt uitsluitend beheerscht door uw geloof of door uw ongeloof. Ge moet, ook waar het uw vijand geldt, voor het aangezichte Gods in geloof verkeeren. Het moet een levende waarheid voor u zijn, dat die God er is, u ziet, u hoort, dien man op uw weg plaatste, en u nu beproeft, of ge overwinnen zult of bezwijken. En als het zoo met u is, dan ja, keert zich de stemming van uw hart

Sluiten