Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZONDAG XL. HOOFDSTUK IV.

119

moordenaar sterven moet. Dit toch is meer dan een wet van Perzen en Meden. Het is een rechtstreeks Goddelijk gebod.

Ook het vraagstuk van den oorlog moet, in verband met het zesde Gebod, even aangestipt; omdat vaak de stelling is verkondigd, dat het verbod van den doodslag tevens het verbod van den oorlog inhoudt. In al zijn omvang daarentegen zou dit vraagstuk een veel breeder bespreking vereischen, en in verband moeten gebracht worden met de verstoring van de harmonie, waaronder zich ons menschelijk geslacht in al zijn schakeeringen zou ontwikkeld en in zijn vertakkingen gespreid hebben, indien de zonde niet tusschenbeide ware gekomen. Nu de zonde wel intrad, bestaat die harmonie niet meer. Er is sedert Babels torenbouw, een geweldige uiteenscheuring van de deelen van ons geslacht voor de organische schakeering in plaats gekomen. En juist daardoor is die tegenstelling tusschen volk en volk, tusschen natie en natie ontstaan, waaruit vanzelf ten slotte die heftige botsingen geboren werden, die tot de grootste oorlogen geleid hebben. Eenzelfde zonde stookt het vuur van den hartstocht in de enkele personen, door de personen in de volkeren, en het gevolg hiervan is, dat deze massa brandstof dan ten slotte naar buiten uitslaat, en den oorlog in het leven roept. Roofzucht, heerschzucht, hebzucht, naijver van allerlei zonde werkt hiertoe mede, terwijl ten slotte een schuldig vorst, of nog schuldiger Caesar, de macht van zijn volk misbruiken gaat, om als wereldveroveraar op te treden en door stroomen bloeds te waden naar indrukwekkender macht. Dit alles en zooveel meer zou breeder toelichting eischen, zoo we het vraagstuk van den oorlog in zijn geheel wilden overzien; ook in verband met het goede, dat God de Heere ook uit dit kwaad vaak deed voortkomen, wijl toch zeer. dikwijls een oorlog de heilzame kracht bleek, die het nationaal besef uit zijn loomheid deed opwaken, van spel tot ernst riep, en nieuwe veerkracht in het nationale leven instortte. Wat zou er van ons volk geworden zijn, indien de oorlog met Spanje die veerkracht niet zoo op het uiterste gespannen had?

En toch, dit alles, en zooveel meer, laten we thans rusten, om ditmaal uitsluitend de vraag toe te lichten, of 'het zesde Gebod, en in verband hiermee de Vrede, dien Gods heilige openbaring verkondigt, den oorlog verbiedt. En dan is ons antwoord, dat het zesde Gebod het zwaard aan den moordenaar uit de hand slaat, maar aan de Overheid juist in de hand geeft; en dat, overmits een oorlog alleen door de Overheid kan gevoerd worden, er alzoo nooit uit het zesde Gebod iets tegen den oorlog valt af te leiden. Zeker gaat dit zesde Gebod in tegen particuliere stroop-

Sluiten