Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZONDAG XL. HOOFDSTUK V.

125

voor het leven van onzen naaste en voor ons eigen leven op ons rust, dan valt ook geheel deze zaak onder het zesde Gebod, en is er bij nalatigheid of onvoorzichtigheid bloedschuld. En geheel deze zaak nu wordt uitgemaakt door de Wet op de Melaatschheid. Melaatschheid is een in hooge mate besmettelijke en aanstekelijke pestilentie. Een pestilentie die zich voortplant niet alleen door aanraking met den kranken persoon, maar ook door aanraking met zijn kleed of het betrekken van zijn woning. De vraag is nu maar: Welken regel heeft God de Heere zelf met het oog op deze pestilentie gegeven. Heeft Hij den melaatsche onderwezen, om geen maatregel te nemen, opdat hij anderen niet besmette? Of wel heeft Hij hem gelast tegen de besmetting van anderen te waken? En ook heeft God de Heere de overige menschen, die nog gezond waren, gelast, vrij met dien man te verkeeren, in zijn huis te gaan, en zijn kleeren aan te raken? Of wel heeft God de Heere verordend, dat die aanraking gemeden, dat huis ontsmet en dat kleed desnoods vernietigd zou worden? En dan is het antwoord zoo beslist en stellig mogelijk: God de Heere, die zelf de melaatschheid zendt, en zonder wiens bestel niemand de melaatschheid kan of zal krijgen, heeft niettemin zelf gelast, dat op allerlei wijze de melaatsche, en zijn kleed, en zijn huis buiten aanraking zou worden gesteld en zou worden ontsmet. En waar God de Heere in zijn Woord zoo stellig spreekt, daar buigen wij voor dat Woord onzes Gods ons in eerbied neder. Daar bekennen en belijden we, dat op ons menschen de verantwoordelijkheid en de aansprakelijkheid voor het leven van onzen naaste gelegd is. En daar beseffen we de klem van het zesde Gebod van Horeb, dat ook in zulke toestanden ons toeroept: Gij zult niet dooden.

Natuurlijk is het hier de plaats niet, om dit alles in verband met Gods Raad, Gods Voorzienigheid, 's menschen werk en de natuurkrachten toe te lichten. We zwichten hier niet voor een redeneering, maar voor een stellig gebod, voor een besliste uitspraak van den Heere in zijn Woord; van wat God Almachtig verordineerd heeft. Immers waar we zulk een duidelijke ordinantie hebben, is het uit; daar voegt ons geen verder redeneeren, en is gehoorzamen het eenige wat ons als zijn schepselen betaamt. Niemand toch zal hier de bewering opwerpen, dat wel tegen de melaatschheid zulke verantwoordelijkheid op ons rust, maar niet tegenover andere besmettelijke ziekten. En als een arts, die een kraamvrouw bezoekt, even te voren bij een roodvonkzieke is geweest, en hij steekt die kraamvrouw aan, en ze sterft, dan voelt al het volk, dat die arts schuldig staat; en het is wel voorgekomen dat het verontwaardigde volk voor zijn huis te hoop liep.

Sluiten