Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZONDAG XLI. HOOFDSTUK t.

135

Adam en Eva in het paradijs, die zich niet schaamden, ofschoon ze naakt waren. Edoch dit komt niet uit het huwelijk, maar uit de zonde, en mag aan het huwelijk nooit toegerekend.

Er bestaat dan ook niet de minste oorzaak om het huwelijk, als ware het in zich zelf onheilig, sacramenteel te heiligen. Rome beroept zich voor haar qualificatie van het huwelijk als Sacrament op Eph. V : 32 waar in de door Rome geijkte vertaling staat: „Dit Sacrament is groot." Doch deze vertaling kan geen steek houden. Er staat in het Grieksch: „dit mysterium is groot", en de onzen vertaalden terecht: Groot is deze verborgenheid; t.w. niet het huwelijk zelf, maar het symbool dat in het huwelijk voor den band tusschen Christus en zijn gemeente ligt. Vruchteloos bleef dan ook elke poging, door de Roomsche godgeleerden beproefd, om het sacramenteel karakter van het huwelijk aan te toonen en nooit zijn ze er in geslaagd een bepaling van het Sacrament te geven, die het huwelijk met Doop en Avondmaal onder één hoofd saamvatte. Alle Sacrament ziet op de genade, die ons op het Kruis verworven is, en dient tot sterking van het geloof; en hiermee nu heeft het huwelijk als tot de ordinantiën niet der genade, maar der natuur behoorende, niets uitstaande.

De vraag of het huwelijk een in zich zelf noodzakelijke ordinantie is, of wel wat men noemt een positief gebod, dat alleen uit Goddelijke wilsbeschikking voortvloeit, is wel bezien, niet voor rechtstreeksche beantwoording vatbaar. Wel neigt men er toe, om er een positief gebod in te zien, zeggende: dat het ook anders had kunnen geordineerd zijn; dat zich een toestand denken liet zonder huwelijk; of ook een toestand, dat polygamie Goddelijke ordinantie ware; en dat alzoo de bepaalde ordinantie der monogamie geen noodzakelijk karakter draagt, en dus slechts als positief gebod werkt. Maar toch ga men bierin niet te ver. Wat weten wij van de innerlijke noodzakelijkheid der Goddelijke ordinantiën eigenlijk af? Ten deele kan men zeggen, dat geen enkele ordinantie noodzakelijk is, in zoover er geen macht buiten noch boven God was of is, die Hem dwong of dwingt, om een eenig ding alzóo te bestellen als het besteld is. Alle bron van wat als ordinantie in hemel of op aarde geldt, ligt in Gods wijsheid en vrijmacht. Toch geeft de Heilige Schrift ons nergens den indruk, alsof hierin willekeur heerschte. De moeilijkheid is maar, dat wij een maatstaf in God hebben, en dat God den maatstaf alleen in zichzelven heeft. En hoe dan een grens te trekken, dan alleen daar, waar God zelf ons wijziging van ordinantie leert kennen; b. v. eerst het geboden huwelijk tusschen broeders en zusters in Adams huisgezin en straks het verbod van al zulk huwelijk. Doch van zulk een wijziging is hier geen sprake.

Sluiten