Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

180

ZONDAG XLI. HOOFDSTUK VII.

Nog op een laatste, niet minder diepe ellende, moet hier met nadruk gewezen worden, t.w. op de zonde, die de taal der Europeesche volken met Onan's naam verbonden heeft, en die in onze eigen taal gebrandmerkt wordt met het ónteerend woord van zelfbevlekking. Menschenkenners aijn zelfs van oordeel, dat met name in onze eeuw juist deze zonde op zoo schrikbarende wijze is toegenomen, dat ze er niet voor zijn teruggedeinsd, om in afzonderlijke geschriften, o.i. wel wat al te naakt, den aard van deze gruwel, en zijn ontzettende gevolgen bloot te leggen. En, helaas, onderwijzers, en wie verder met opgeschoten knapen en meisje» veel in aanraking komen, verzekeren ons maar al te stellig, dat er in die geschriften niets te veel is gezegd, want dat onder alle rangen en standen, soms reeds van zeer vroegen leeftijd af, deze zonde der zelfbevlekking in toenemende mate bezig is, de kracht van het opkomend geslacht te breken. Een zonde, daarom in zoo buitengemeene mate gevaarlijk, omdat bij elke andere zonde tegen het zevende Gebod de zondaar sléchts nu én dan de gelegenheid schoon vindt, terwijl bij de zelfbevlekking de gelegenheid er altijd is, en er metterdaad zoo velen zijn, die, in hurt gedachte misleid en verstrikt, begonnen zijn, met geen zonde in dezen gruwel te zien. Dat ze vooral in onze eeuw zoo voortwoekerde, schijnt deels aan een lichamelijke, deels aan een geestelijke oorzaak te wijten. Lichamelijk hieraan, dat de zenuwachtige overprikkeling van het leven, de overprikkeling der hersenen door te veel inspanning bij jonge kinderen, en de daaruit voortgeyloeide achteruitgang in gezonde, lichamelijke kracht, een wanverhouding in de harmonie van het lichamelijk wezen teweeg bracht, die dan zoo boozen uitweg zocht. En geestelijk, doordien het overprikkeld besef van zelfgenoegzaamheid, van met zich zelf te mogen doen wat men wilde, en aan geen hooger ordinantie gebonden te zijn, ongemerkt ook op de zinlijkheid heeft ingewerkt, en zich als zelfgenoegzaamheid in den wellust tot zelfbevlekking gecrystaliseerd heeft.

Wat verplichting tot waakzaamheid hieruit voor ouders, onderwijzers, dienstboden, kortom voor een iegelijk, die met kinderen omgaat, voortvloeit, behoeft wel niet gezegd; en niemand late zich van deze waakzaamheid afbrengen door het valsche denkbeeld, alsof men zijn kinderen, door hen over deze dingen te spreken, op den kwaden weg zou brengen. Wie dit doet met ernst, als voor Gods oog, en met de majesteit der zoekende liefde, kan nóóit kwaad stichten. Iets wat met name tot Christenouders ook met opzicht tot hun zonen op iets verderen leeftijd zij gezegd. Want al mag gezegd, dat in de Christelijke kringen een jonkman, die zich aan prostitutie overgeeft, een hooge uitzondering blijft, vergeet niet, dat juist hierdoor de zonde der onanie in onze kringen veel langer kan

Sluiten