Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

224

ZONDAG XLII. HOOFDSTUK V.

positie merkt ge dan ook aan zijn gewetenloosheid. Een verkwister ziet er niets in om den armen schuldeischer lang naar zijn geld te laten wachten. Geld in de hand, geld in de beurs is voor hem de hoofdzaak. Het uitgeven, het vertoonen, het verkwisten van het goed is hem het één en al En zich bekrimpen opdat de arme schuldeischer zijn geld krijgen mocht, ware daarom in strijd met zijn levensregel. Ook is de verkwister slordig. Hij houdt liefst geen boek, of slordig boek. Wat hij pas over maanden krijgt, geeft hij nu al uit. Dat rekenen en narekenen is beneden zijn priesterlijke waardigheid. En als dan straks tengevolge van zijn verkwistenden aard, vrouw en kinderen het noodige derven, of zijn naam in opspraak komt, en zijn toekomst gevaar loopt, dan is er nog bijna nooit berouw, maar plooit zich een lach om zijn lippen, en speelt hij nog eens een lot of de Fortuin hem allicht gunstig mocht zijn. Zoo rekent ook de verkwister buiten God. Hij stoort zich niet aan plicht noch orde. Gods ordinantiën binden hem niet. Hij is vrij man en de machtige Mammonpriester, en half lachend zet hij zijn toekomst en het lot van vrouw en kinderen als inzet op de heilige tafel, waarop het lot van Mammon wordt

uitgespeeld. ,

Gierigheid of verkwisting staan daarom beide even schuldig voor God. Het is één zonde in twee vormen, en welken van die beide vormen deze zonde bij u zal aannemen, hangt maar af van uw bloedmenging. Een sanguïnistisch persoon is de geboren verkwister, in den melancholicus schuilt de aanleg voor den vrek. Maar hoe ook verschillend, beiden gaan uit van de stelling, dat inspanning recht op bezit geeft, niet onder de verplichting om dat bezit in Gods. dienst te besteden, maar om het te misbruiken tot streeling van eigen egoïsme. Beiden zijn in den vollen zin des woords goddeloos.

Wie daarentegen niet goddeloos, maar naar Gods wil, met zijn goud en geld zal omgaan, verstaat wat de Catechismus zegt: dat ge werken moet voor de armen. „Dat ik trouwelijk arbeide, opdat ik den nooddruftige helpen moge." Een overschoone uitspraak, waarin een bijna verhevene gedachte ligt. Ge hebt u in te spannen. Maar als ge u nu zóó hebt ingespannen, dat ge voor uzelven en de uwen genoeg hebt, dan moet ge nog eens aan den arbeid, nog doorwerken, om wat over te verdienen, en dat oververdienen moet ge doen, om den nooddruftige te kunnen bijstaan, o Waar zijn Gods kinderen, die deze diepte der barmhartigheid reeds durfden inzien? Er wordt, het is zoo, onder Gods kinderen veel gegeven. Veler hand is mild geworden. Dat was in vroeger jaren veel minder. Zelfs nog een halve eeuw geleden was de hand lang zoo open met En

Sluiten