Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZONDAG XLHI. HOOFDSTUK I.

235

nauwere gemeenschap; van aangezicht tot aangezicht kent slechts een kleine groep van menschen ons; en nog minder in aantal zijn ze, die ons genoeg van nabij kennen, om werkelijk over ons te kunnen oordeelen. Maar veel breeder is de kring van personen, in wier wereld van gedachten we toch bestaan en voorkomen, en in wier bewustzijn we dus zekere gestalte hebben erlangd. En hierdoor nu vormt zich in algemeenen zin wat men noemt onze naam onder menschen. Ons eigen bewustzijn is als een spiegel, waarin wij het beeld van onze medemenschen opvangen, en zelf worden we wederkeerig opgevangen in den spiegel van het bewustzijn onzer medemenschen. Dit maakt dat men over ons spreekt, dat men zich een opinie over ons vormt, en zoo dikwijls iets in ons de aandacht trekt, een oordeel over ons velt. Door het uitspreken nu van die opinie en van al zulk oordeel, vormt zich dan van lieverlee zekere vaststaande voorstelling over onzen persoon, en het is alzoo dat onze naam onder de menschen tot zekere vastheid komt.

Daar nu van dezen goeden of slechten naam zoo naamloos veel voor ons afhangt, blijkt genoegzaam op wat bedenkelijke wijze onze medemenschen ons in hun macht hebben. Beoordeelen ze ons gunstig, hebben ze met ons op, en schenken ze ons alzoo een goeden naam, dan verrijken ze ons met wat naar luid van de Schrift beter is dan olie. Maar ook, zijn ze ons ongunstig, hebben ze iets op ons tegen en geven ze ons alzoo een slechten naam, dan breken ze daardoor ons geluk. Hierin nu zou niets steken, zoo de vierschaar van deze publieke opinie zuiverlijk en naar de waarheid in het binnenste oordeelde. Maar natuurlijk dat kan ze niet. Ze moet wel op den schijn afgaan, haar oordeel moet wel rusten op een ontvangen indruk: harten en nieren proeven kan ze niet. Doch niet alleen, dat ze niet bij machte is, om een rechtvaardig oordeel te vellen, en daardoor in zoo menig geval veel te gunstig, en in menig ander geval veel te ongunstig oordeelt, maar ook wordt ze niet zelden op een dwaalspoor geleid door opzettelijken toeleg. Die opzettelijke toeleg kan uitgaan van een concurrent, van een tegenstander, van een persoonlijken vijand, die zich op ons wreken wil, of er belang bij heeft, om ons te drukken. Maar hij kan ook uitgaan van uzelven, als ge met opzet het ééne doet en het andere laat, om aan uw medeburgers een gunstiger indruk van uzelven te geven, of wat een ongunstigen indruk geven zou te bedekken. Of eindelijk kunnen er in de publieke opinie zelve drijfveeren werken, die tegen uw streven en bedoelen ingaan, en daarom zich vijandig tegenover u stellen. Voegt hier nu bij al hetgeen ook zonder opzettelijken toeleg, door misverstand, bij vergissing, bij ongeluk den schijn tegen u kan doen rijzen, en alzoo uw beeld in ongunstig daglicht plaatst, dan beseft ge

Sluiten