Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZONDAG XLIVft. HOOFDSTUK II.

291

des Heeren, een milde offervaardigheid, en een gloed van heilige liefde, waardoor er soms zelfs over hun gelaat en hun trekken iets hemelsch ligt uitgespreid. Dat dit in die mate zeldzaam is, geven we toe, en ook moet erkend, dat dit schoone bij sommigen maar al te zeer gebroken wordt, doordien men soms merkt, dat ze het van zichzelven weten, dat ze het er op toeleggen om zich zoo voor te doen, en er zich vaak in geestelijken hoogmoed op verheffen. En dan natuurlijk is de bekoring weg, en de schoone vrucht door den wormsteek bedorven. Maar het feit, dat er verschil bestaat, is daarom niet weg te cijferen. Reeds in den kring der apostelen komt het uit, dat Jezus volstrekt niet alle discipelen op één lijn stelt. In de apostolische brieven bespeurt ge gedurig, hoe de apostelen wel terdege onderscheid maken tusschen kinderen Gods die achterlijk en die verder zijn. Heel de historie der Kerk getuigt ons, hoe er alle eeuwen door zulk een onderscheid viel waar te nemen. En onze eigen ervaring bevestigt het ons telkens opnieuw. En op dien grond nu blijven we bij wat de Catechismus zoo klaar en duidelijk uitspreekt. Ja wel waarlijk zijn er graden of trappen van ontwikkeling ook in het geloof en het daaruit zich ontwikkelende geestelijke leven. Er heerscht geen stilstand, maar er is vooruitgang. Er is wasdom in Christus. Er is een toeneming en vordering in genade. Er is een gaan van heerlijkheid tot heerlijkheid. Er is een steeds meer overvloedig worden in goede werken, die aangenaam zijn voor God. Er is een zijn van heiliger onder de heiligen. En aan enkelen wordt het door genade gegeven, als zeer sierlijke leden van het Lichaam van Christus, zijn allerheiligsten in deze of gene plaatselijke Kerk te zijn.

Door deze stellige belijdenis wordt in niets te kort gedaan aan het centrale werk van den Christus. Geen kind van God toch zal zich ooit inbeelden, dat er aan zijn zaligheid nog iets ontbreekt, als zou hij door zijn goede werken dat ontbrekende nog moeten bijverdienen. Een kind van God weet en belijdt juist omgekeerd, dat het alles volbracht en in Christus alles voor hem verworven is en gereed ligt. Christus heeft niet alleen zijn schuld betaald, maar ook de wet voor hem volbracht. En mits er geloof zij, echt en waarachtig, uit God bewerkt geloof, belijdt Gods kind, dat het is alsof hij zelf alles betaald, ja heel de wet zelf volbracht hadde. Daarover loopt dus de quaestie niet. Wie dat niet belijdt, weet zich niet rechtvaardig voor God, staat nog in werkverbond, en werkt voor den dood. En evenmin zal een kind van God zich ooit inbeelden, dat hij zijn goede werken uit zichzelven put, en nu met die goede werken als met iets, dat hij op eigen akker teelde, naar zijn God kon toegaan,

Sluiten