Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

302

ZONDAG XLIV&. HOOFDSTUK III.

afgetrokken, en vaart de schrik en de ontzetting over uw onheilig leven u telkens weer door de ziel. Zonder die Wetspredikatie in al haar fijnheid en scherpheid en strengheid beeldt menig gewoon kind van God zich zoo licht, bij vergelijking met anderen, die slapper leven, in, dat hij reeds rang onder de heiligen heeft, waar veeleer zijn plaats onder de gewone heiligen nog gedurig bedreigd wordt. En daarom kan er niet genoeg op aangedrongen, dat vooral in deze felbewogen tijd de Dienst des Woords toch vooral in zedelijken ernst spanne, en het klaar en duidelijk inzicht in wat God wil, dat ons leven zijn zal, gedurig weer verheldere.

Toch hebben we nog ernstiger strijd met de Antinomianen van echten bloede, die liefst de geheele prediking der Wet, als onder het Evangelie niet betamelijk, uit de gemeente weren zouden. Deze zeggen u, dat het Wetsstandpunt zelf niet deugt; dat dit standpunt goed was in het Werkverbond, maar niet .te dulden is in het Verbond der genade. Dat de Wet wel verre van ons te heiligen, integendeel de zonde prikkelt en ons zoodoende onheiliger maakt, wijl de lust naar het verbodene in 's menschen natuur zit. Zoo staan ze vijandig tegenover de Wet, die ze een doode letter noemen, terwijl zij in vrijheid des geestes wandelen willen. Bovendien zeggen ze, dat de Wet óf tot straf óf tot gehoorzaamheid verplicht. Dat ze ons nu eenmaal als straf is toegerekend, en dat wij in Christus deze straf gedragen en voldaan hebben, zoodat geen gehoorzaamheid meer naar recht van ons kan gevorderd worden. En eindelijk gaan ze zelfs zoover, dat ze in de zonde het groote middel gaan zien, waardoor de genade wordt uitgelokt. Zij dus ook al de zonde op zichzelf iets hinderlijks, als middel om genade uit te lokken, en de genade rijker te maken, heeft ze haar eigenaardige beteekenis, geheel in den trant van wat men reeds in Paulus' dagen vroeg: „Zullen wij zondigen, opdat de genade te meerder worde?" Met dit booze Antinomianisme paart zich dan soms nog de Anabaptistisch dualistische dwaling van de tegenstelling tusschen vleesch en geest. Een kind van God is dan geestelijk, en wel wandelt hij nog in het vleesch, maar dat vleesch is hij niet. Dat is een ander die bij hem inwoont. Een soort oude Adam, die zich aan hem vastklemt. Dat vleesch, die oude Adam nu, mag zondigen zooveel hij wil. Dat doet er toch niet toe, want die vleeschelijke bijwoner vaart toch eens ter helle. En hij, als kind van God, heeft hier geen weet of leed van, want het gaat buiten hem om. Hem raakt, hem deert dat alles niet. Ja, hoe dieper die oude Adam er zich inwerkt, hoe beter het zelfs is, omdat juist daardoor de tegenstelling tusschen dien boozen dubbelganger en het kind van God in hem te scherper uitkomt. En zegge nu niemand, dat

Sluiten