Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

458

ZONDAG XLVII. HOOFDSTUK III.

karakter, met een welaangelegde persoonlijkheid, en in den ander hebt ge te doen met een gedachteloos leven, iets van den vlinder, die van blad op blad vliegt, en alle innerlijke eenheid, alle innerlijke zielskracht en alle innerlijke zielsrichting mist. Zoozeer nu het ééne u aantrekt, zoo stoot het andere u af; en aldus erkent ge onbewust, dat zulk een karakter, zulk een innerlijke levenseenheid, zulk een levensdoel en levensrichting te bezitten schoon en goed, en dus ook voor u noodzakelijk is. — Voor alle overspanning wachte men zich hier nu bij. Er is verschil tusschen mensch en mensch. De één is rijker van brein door God geschapen dan de ander. De één klieft als een zeekasteel de golven, en de ander drijft als een boot achteraan. Het zou dus dwaas zijn, zoo elk kind van God zijn hand uitstrekte naar de tien talenten. Gods vrijmacht gaf den één tien, den ander vijf, weer een ander drie, en aan de meesten slechts één talent. Dat schikken en richten van ons leven moet dus door een iegelijk in zijne mate geschieden, en wie, door veel romanlectuur bedorven, zich geprikkeld voelde, om al is hij klein, toch een groote figuur te wezen, en daartoe op zijn teenen zich uitrekte, zou geen behaaglijken noch weldadigen, maar eer een lachverwekkenden indruk maken. Het: „een iegelijk in zijn mate" mag daarom ook bij het Christelijk karakter niet uit het oog worden verloren, want ook de Heilige Geest deelt zijne gaven vrijmachtig uit, aan een iegelijk gelijk Hij wil. Maar dat deert niet. De veldlelie heeft evengoed een eigen karakter als de hoogopgaande palm of cederboom. De kleine planeet Mars bezit evengoed een rijke tinteling van licht als de reusachtige Uranus of Saturnus. En daarom geldt het zelfs van de minsten onder de broederen of zusteren, dat ook zij van God een eigen leven ontvangen hebben, en dit eigen innerlijk zielsbestaan hebben te schikken en te richten.

De drang hiertoe komt vanzelf voort uit het innerlijk besef van uitverkoren te zijn. Uitverkoren zijn beteekent toch volstrekt niet alleen, dat we uitverkoren zijn tot zaligheid. Wie het zoo verstaat, beschouwt de uitverkiezing als geschied alleen om onzentwille. En dit nu mag niet. Ook de uitverkiezing is een werk waarvan de regel geldt, dat God alle ding in de eerste plaats doet om zich zelfs wille. En daarom is de uitverkiezing tevens de uitverkiezing tot een roeping, tot een dienst, tot een eigen taak die in het Koninkrijk Gods, nu hier en straks daarboven, voor u is weggelegd. Juist omdat onze Calvinistische vaderen dit geloofden en gevoelden blinkt er in heel hun optreden zulk een veerkracht en doortastendheid. Juist daardoor hebben ze wonderen verricht en de wereld verbaasd door hun betoon van moed en wilskracht. Dit geloof scherpte hen en maakte hen tot helden. Het tobben over hun staat kenden ze daarom zooveel

Sluiten