Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZONDAG XLVIII. HOOFDSTUK II.

471

diepe gedachte van een Koninkrijk toch is, niet dat het door geweld saam wordt gesmeed, maar saam is gegroeid door 's Konings wet. In 's Konings wet moet de saambindende kracht van het Koninkrijk liggen, en dan eerst heerscht de Koning in idealen zin, als niemand gedwongen wordt zich te onderwerpen, maar zoo een ieder zich gewillig onderwerpt, uit lust gehoorzaamt, en in de gehoorzaamheid zalig is. Vandaar dat de Heilige Geest de stichting en bevestiging van dat Koninkrijk doorzet. Hij toch grijpt den mensch van binnen aan, maakt hem van binnen uit met zijn Koning eenswillend, en verwezenlijkt op die wijs dat ware, eenige, Goddelijke Koninkrijk, waarin God als Koning heerscht, zonder zweem van dwang of schijn zelfs van geweld. Eerst als deze Koning in al zijn onderdanen alles is, alles inheeft, en alles bestuurt, is het Koninkrijk der hemelen in zijn volkomenheid geopenbaard.

Ligt nu alzoo de zake van dit „Koninkrijk der hemelen", dan zult ge ook verstaan, wat de bede: Uw Koninkrijk kome inhoudt. Het is drieërlei: 1°. Regeer mij alzoo door uw Geest en Woord, dat ik mij langs zoo meer U onderwerpe. 2<>. Bewaar en vermeerder uw kerk. En 3°. verstoor de werken des Duivels. Drie beden, waarin de ééne bede om het Koninkrijk zich geheel natuurlijk en als van zelve splitst. Ge behoort zelf tot dat Koninkrijk, maar moet er nog steeds meer en beter onderdaan van worden. Dat Koninkrijk wordt instrumenteel door de Kerk op aarde gebouwd, en daarom moet die Kerk bloeien en kracht oefenen. En eindelijk de komst van dat Koninkrijk wordt door Satan tegengehouden en daarom moet het geweld van Satan verbroken worden. Als dit Koninkrijk van God dieper wortel schiet in het hart der geloovigen, als de Kerk het krachtiger voortplant, en als Satan's tegenstand gaandeweg meer gebroken wordt, dan, maar ook dan alleen zijn alle voorwaarden vervuld, die de zekere komst van dit Koninkrijk in zijn volkomenheid waarborgen.

En daarom bidt nu Gods kind. D. w. z. Gods kind begeert dit Koninkrijk. Hij heeft er lust aan. Hij treurt als het toeft. Hij juicht als het komt en zich uitbreidt. En wijl hij weet, hoe weinig hij zelf hiertoe aandroeg, ja hoe hij zelf het nog veelszins in zijn komst tegenhoudt, daarom neemt hij zijn toevlucht tot den almachtigen God, om van Hem af te bidden, dat Hij het krachtiger brenge en doe doordringen, in hem, door zijn Kerk, en ten spijt van Satan. Op het uitgangspunt valle hier dus volle nadruk. Wie het Onze Vader, en in dit Onze Vader de bede „Uw Koninkrijk kome" bidt, die heeft dat Koninkrijk lief, en diens hart gaat er naar uit; die roept het in; die begeert met heel zijn ziel, dat het moge komen, steeds rijker, steeds machtiger, steeds heerlijker, met steeds Godde-

Sluiten