Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

518

ZONDAG L. HOOFDSTUK II.

bevel, dat graan alzoo heeft voortgebracht, en het gedorscht is, en de tarwe tot meel is vermalen, en uit dat meel het brood is gebakken, laat God dit brood niet aan zichzelf over. Het is niet, dat op uw tafel het brood buiten uw God ligt, en dat uw God in den hemel is, maar op hetzelfde oogenblik, dat gij uw brood tot u neemt, is het de almogende en alomtegenwoordige kracht Gods, die dat brood draagt, dat brood brood laat zijn, en in dat brood de voedende kracht onderhoudt. Wat u voedt en uw leven in stand houdt is dan ook niet dat brood, maar de kracht Gods, die in dat brood werkt, of gelijk Mozes het in Deut. VIII tot Israël zeide, en Jezus het tot Satan herhaalde: „Ge leeft niet van het brood, maar van het woord dat uit Gods mond uitgaat." Een uitspraak, die wel schromelijk misduid en mishandeld is, en die nog telkens, zelfs soms door orthodoxe predikanten, vertolkt wordt, als stond er: „Ge zult niet enkel voor brood voor uw lichaam zorgen, maar veel meer hiervoor dat ge uw ziel met de Schrift voedt." Maar een uitspraak waarvan het misbruik toch allengs afneemt, nu men almeer gaat inzien hoe vs 3 verklaard en toegelicht wordt in vs 17 en 18 van dit zelfde hoofdstuk, waar Mozes zoo nadrukkelijk tot Israël zegt: „Ge zult niet in uw hart zeggen: Mijn kracht en de sterkte mijner hand heeft mij dit vermogen verworven; maar gij zult gedenken, dat het de Heere uw God is, die u kracht gaf, om dit vermogen te verwerven." De uitspraak: „De mensch zal bij brood alleen niet leven, maar bij alle woord dat uit den mond Gods uitgaat" sloeg op het Manna. Israël had toen geen brood, en toch bleef het leven, omdat er een woord Gods uitging, dat het Manna zou nederdalen; en toen heeft Israël van dit woord Gods, zonder brood, enkel bij het Manna geleefd. Op ons geduid beteekent het alzoo, dat er dag aan dag een woord Gods uitgaat tot deze aarde, dat deze aarde ons voeden zal, en dat het dit scheppend en onderhoudend woord van onzen God is, waardoor ons leven in stand blijft. Van een geestelijk woord, van het woord der Schrift, noch van het woord der genade is hier alzoo sprake. Deze vierde bede doelt op het lichaam en op het lichaam alleen, en ook in Deut. VIII : 3 wordt alleen op dat machtwoord Gods gewezen, waaruit ons de zegen bij de voeding en instandhouding van ons lichaam toekomt. Zeer juist zegt dan ook de Catechismus, dat in deze vierde bede de betuiging ligt, „hoe noch onze arbeid, noch onze zorge, ja, zelfs Gods gave niet, ons zonder Zijn zegen kan gedijen." Die zegen kome derhalve niet bij het brood, maar God werkt dien zegen in ons brood. Als Hij in dat brood niet Zijn almogende en alomtegenwoordige kracht laat werken, nut het ons tot niets. En als Hij, nadat wij dit brood gegeten hebben, het, met eerbied gesproken, niet ook in onze maag draagt door Zijn kracht,

Sluiten