Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZONDAG LH. HOOFDSTUK I.

555

zich niet. Gods bestel en beschikking was het leven zijner ziele, ook toen Hij te sterven hing. Hij kon ook toen bidden, en zijn Vader zou Hem meer dan twaalf legioenen engelen hebben gezonden. Maar Hij wilde niet. Geen gebed van een ongehoorzaam overgeloof kwam over zijn lippen.

Zooveel over het verzoeken van God door ons, waarbij op zichzelf natuurlijk geen sprake is van verzoeken tot iets kwaads. Doch ook als er in de Heilige Schrift gesproken wordt van het verzoeken dat van Gods wege naar ons uitgaat, heeft dit verzoeken lang niet altoos een booze beteekenis, maar staat niet zelden volkomen gelijk met: beproeven. Het duidelijkst blijkt dit uit Exod. XX : 20, waar Mozes tot Israël zegt: „Uw God is gekomen opdat Hij u verzocht, en opdat zijn vreeze voor uw 'aangezicht zou zijn, opdat gij niet zondigt." Niet dus een verzoeken, om in zonde te leiden, maar omgekeerd en integendeel om van zonde af te houden. En vraagt men, wat zulk een verzoeking van Gods zijde dan in dezen min eigenlijken zin bedoelde, dan vindt ge het antwoord in Deut. XIII : 3: „De Heere uw God verzoekt u, om te weten, of gij den Heere uwen God liefhebt met uw gansche hart en met uw gansche ziel". Het staat hier zoo duidelijk mogelijk, dat het doel van deze verzoeking niet is om in zonde te leiden, maar uitsluitend, om te doen blijken, hoe het in uw hart tegenover uw God staat; iets wat geheel neerkomt op wat wij thans beproeven noemen. Het ware dan ook metterdaad duidelijker geweest, en zou menig misverstand hebben afgesneden, indien onze overzetters in al zulke gevallen, niet het woord verzoeking, maar het woord beproeving gebezigd hadden. Dat dit niet geschied is, kwam daar vandaan, dat in de zeventiende eeuw het woord verzoeken en verzoeking nog veelszins den zin van beproeving had. Thans is dit niet meer het geval. Een onderzoek, om te ontdekken hoe het in iemands hart gelegen is, noemen wij thans uitsluitend: iemand beproeven; en omgekeerd heeft de uitdrukking: iemand verzoeken thans zeer bepaaldelijk de beteekenis van iemand inleiden in iets, dat voor hem een oorzaak van zonde kan worden.

Vraagt men nu, in welken zin het woord verzoeking in de zesde bede gebezigd is, dan lijdt het geen twijfel, dat hier wel waarlijk een verzoeking in eigenlijken zin is bedoeld, en dat hier niet mag gedacht worden aan eenvoudige beproeving. De woorden die er op volgen: Maar, leidt Gij er mij toch in, verlos mij dan toch van den Booze, — laten dienaangaande niet wel twijfel over en schier alle uitleggers stemmen dan ook toe, dat verzoeking hier zoo te verstaan is, dat een gevaar om te zondigen door God over ons gebracht wordt. Hieruit te willen afleiden, dat derhalve God

Sluiten