Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZAAK- EN NAAM-REGISTER.

613

NAASTE; verhouding tot den —; IV, 94 v. Zie Gebed, Liefde NATURALISME; I, 225.

NATUUR; Godsvereering in de —; I, 277 v.; Gods werking in — en Schrift; I, 236 v • macht der — tegenover God; I, 474; vergoding der —; I, 224 w.; Supranaturalisme en de —; I, 238.

Rijk der — en rijk der genade; III, 135; Dooperschen hierover; III, 16 v • IV 35 v. Zie Dienst des Woords.

Onze — komt verdorven voort uit onze ouders; I, 71, noot; willekeurige en onwillekeurige werkingen onzer —; III, 469 v. Zie Ambten, Dood, Gebed, Geloof Val Zonde. '

Christus heeft geen persoon, maar onze — aangenomen; 1, 323, 370, 373; verband tusschen Christus' aannemen van onze — en het dragen der schuld; I, 395; Christus' — eene geschapen —; III, 137; Christus' — verzwakt; I, 379; toch heilig; I, 102; Christus heeft eene joodsche — aangenomen; II, 275; grens tusschen de beidé naturen in Christus; II, 17 w.; geen godmenschelijke —; I, 205; II, 17.

Eutyches over de naturen van Christus; II, 14, 17; Luther over de naturen van Christus; I, 401; II, 14 W.; III, 130, 153.

Zie Alomtegenwoordigheid, Lijden, Tegenwoordigheid, Verhooging, Ziel en lichaam NATUURDIENST; III, 521 v. "«•"««»«. NATUURKUNDE; terrein en grenzen der —; I, 225 w., 234 v.; de — en de dood-

I, 483 v.

NATUURLIJKE MENSCH; zie Consciëntiewerking, Dankbaarheid, Deugdsbetrachtina NATUURWETTEN; I, 190 v., 228 w.; III, 463, 470 NEBUCADNEZAR; III, 374. NEDERDALING TER HELLE; I, 443 w.

NEDERIGHEID van den geloovige; III, 230; IV, 539 w. Zie Onwaardigheids gevoel NEO-KOHLBRUGGIANEN; zie Beeld Gods, Erf schuld, oorspronkelijke Gerechtigheid,

Heiligmaking, Rechtvaardigmaking, Vergeving der zonden, Zondaar NIEREN; onze — in de Schrift; IV, 262, 267. NIEUWE HEMEL EN NIEUWE AARDE; II, 235. NIEUW TESTAMENT; zie Oude Testament, Strijdende kerk, Verbond NIEUW VERBOND; zie Kerk.

NINEVÉ; het geloof van de lieden van —; II, 307. Zie Jona

NOACHIETISCH VERBOND; het - is de stuiting van de macht der zonde; IV, 126-

het — en het Darwinisme; IV, 116 v. Zie Rechtsordening, Regenboog. NOODLOT; I, 217 w.

O.

OEFENAARS; III, 301 v.

OFFER VAN CHRISTUS; het — en de Mis; III, 206 v.

OFFERS; — zijn symbolisch; I, 92; — van Abel en Kaïn; I, 309; dank— en lof—;

I, 300, 316; III, 348, 354; het Avondmaal is geen offer; III, 181. Zie Wet der Tien

geboden. OFFERMAALTIJDEN; III, 91 w.

OLEVIANUS (C); zie Praedestinatie, Sleutelmacht, Tucht. OLIE; symbool van den Heiligen Geest; I, 280 OLIESEL; het laatste —; II, 495 w. OLIJFBERG; de verheerlijking op den —; II, 13 OLIVA (P.); zie Chiliasme. ONBEKEERDEN; zie Gebed

ONBEWUSTE SCHEPSEL; zie Gehoorzaamheid, Loven.

Sluiten