Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

622

ZAAK- EN NAAM-REGISTER.

STAATSKERK; de — in de 17e en 18e eeuw; II, 126 v.; de doop in de —; III, 40 v.;

Erastus en de —; III, 326 v.; Zwingli en de —; III, 316 v. STELEN; dat niet door de menschelijke wet geoordeeld wordt; IV, 213. STEPHANUS; Christus' verschijning aan —; II, 42. STERFBED; II, 186 v.; II, 496 v.

STERVEN; het — van Christus; I, 424 w.; — is scheiden; II, 206 w., 218 v., 243;

— van Gods kind is triumfeeren over den Dood; I, 442 v.; — van de ziel; II, 203; de helft der menschheid sterft zonder tot bewustzijn gekomen te zijn; III, 6 v. Zie Dood, Doop.

STOF; de — is niet eeuwig; I, 205 v.; macht van de — over het menschelijk leven;

II, 518, 531 v.; geest en — mogen niet vereenzelvigd worden; II, 217; Origehes

over de —; I, 206. STOÏCIJNEN; I, 218.

STOKBEWAARDER VAN PHILIPPI; III, 438.

STRAF; Pelagiaansche opvatting van —; II, 365 v. Zie Genade.

STRAUSZ (D.); zie Leven van Jezus.

STRIJD; — van Gods volk; I, 474; III, 605; — van Gods volk onderling; IV, 549 v.;

— tusschen Satan en de kerk; II, 56; III, 281; geen — zonder gebed en geloofswerking; II, 58.

Zie Christus, Gemeene Gratie, Mystieke Unie, Zichtbare kerk, Zonde. STRIJDENDE KERK; I, 116, 119 v., 121, 130; de — gesymboliseerd in Levi's roeping;

II, 117; de — in het Nieuwe Testament; II, 118 v.; de — en de sleutelmacht;

III, 282; de triumf der —; II, 118 v. Zie Wederkomst des Heeren. SUBJECTIEF; zie Dienst des Woords, Eeredienst. SUPRALAPSARIËRS en Infraiapsariërs; II, 168 w. SUPRANATURALISME; zie Natuur, Opstanding, Wonder.

SYMBOLEN; — in het Oude Testament; II, 276 v.; ID, 41, 151; — in de Schrift; I, 280; Rome en de dienst der —; III, 206; de Schrifttaal is symbolisch; III, 151.

Zie Avondmaal, Brood, Egypte, Oude bedeeling, Sacrament, Schepping, Strijdende kerk, Tabernakel, Verbond, Wet (opschrift der), Wijn.

T.

TABERNAKEL; de —; II, 38. TALE KANAANS; IV, 411.

TEEKENEN; de — in de Schrift; II, 432, 457 v. Zie Abraham, Avondmaal, Doop,

Regenboog, Sacrament. TEETOTALERS; III, 121.

TEGENWOORDIGHEID van Christus bij ons; II, 20 w. TELEOLOGIE; I, 195.

TEUGEL; de gouden — van Rome; II, 294 v.

THEÏSME; I, 345, noot; IV, 346; het — vóór de Reformatie; I, 346; het — en de

Drieëenheid; I, 176 w. Zie Pantheïsme. THEÏST; Calvijn als —; I, 347. THEOCRATIE; IV, 256 v. THEOLOGIA UNIONIS; I, 290, 393.

THEOLOGIE; de — en Christus' profetisch ambt; I, 297; de Duitsche —; I, 347.

Zie Pantheïsme. THEOSOFEN; I, 347.

THOMAS VAN AQUINO; zie Huwelijk, Sleutelmacht, Wet der Tien geboden. THOMAS A KEMPIS' navolging van Christus; II, 71.

TOELATING; een semi-pelagiaansch woord voor Voorzienigheid; I, 245. Zie Avondmaal, Doop, Sacramenten.

Sluiten