Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Abt. 16

20

Bevordering.

worden bepaald op een bedrag, hooger dan de aanvangswedde van den rang of de klasse, waarin de benoeming geschiedt, en kan mede, geheel of ten deele, buiten toepassing worden gelaten de bepaling van artikel 1, tweede lid, en van artikel 24, vierde lid, met inachtneming echter ook in dit geval van de bedragen daar vermeld. Tevens kan, ten behoeve van het toekennen der verdere periodieke verhoogingen, een bepaalde diensttijd worden toegekend. Indien geen diensttijd wordt toegekend, wordt de bij benoeming toegekende wedde, voor het verleenen van de verdere periodieke verhoogingen beschouwd als te zjjn verkregen door regelmatige periodieke verhooging na den daarvoor gevorderden diensttijd en vinden het derde en vierde lid van artikel 15 overeenkomstige toepassing. Zoowel in dit geval als bij het toekennen van een bepaalden diensttijd vindt artikel 13 daarbij overeenkomstige toepassing. (2, 4—7).

2. Indien de benoeming tevens eene bevordering bij hetzelfde dienstvak is, wordt ten minste de wedde toegekend, die onmiddellijk gelegen is boven het bedrag — gerekend naar dezelfde klasse van gemeenten —, dat den betrokken ambtenaar op den datum der bevordering, ongeacht het bepaalde bij het derde en vierde lid van artikel 8, in den lageren rang of de lagere klasse volgens de betrekkelijke schaal van bezoldiging, aan wedde toekomt. De in den vorigen rang of de vorige klasse genoten toelage volgens artikel 19, voor zoover de aan de bevordering verbonden verhooging van wedde en de in den nieuwen rang of de nieuwe klasse genoten toelage volgens artikel 19 te boven gaande, blijft toegekend als persoonlijke toelage. Latere verhoogingen van wedde (met uitzondering van die op grond van het eerste lid van artikel 2), toekenning of verhooging van toelagen volgens de artikelen 19 en 20 daaronder begrepen, komen in mindering van het bedrag der persoonlijke toelage. (1, 3, 8—10, 14 en 16).

3. Wij behouden Ons voor te bepalen, dat in een dienstvak de overgang tot een anderen rang of eene andere klasse al dan niet als eene bevordering behoort te worden aangemerkt. (11—13).

(1) (Off.) Artikel 16, onder 2, (besluit 1920), leidde indepractijk tot minder juiste uitkomst, voor het geval de ambtenaar in zijn vorigen rang in het genot was eener toelage, welke in den nieuwen rang verviel. Bij de bevordering werd n.l. ten minste de wedde toegekend, onmiddellijk gelegen boven het bedrag, genoten aan wedde en toelage in den vorigen rang. De bedoeling daarvan was om te voorkomen, dat de belanghebbende door het verlies zijner toelage in bezoldiging zou achteruitgaan. Dit doel was bereikt, maar het werd tevens voorbijgestreefd. De bepaling had n.l. tengevolge, dat de ambtenaar tot aan het bereiken der maximumwedde en, zoo hij daarna wederom in een hoogeren rang overging, ook daarna nog, boven anderen bevoorrecht bleef. Het geval kon zich voorts voordoen dat den ambtenaar, na eenigen tijd in den nieuwen rang te hebben gediend, opnieuw eene functie werd opgedragen, waaraan eene toelage was verbonden. In dat geval had hij dubbel voordeel.

(2) Anders dan om bijzondere redenen wordt niet tot aanstelling boven het minimum overgegaan.

Toch vordert dat artikel niet, evenals art. 15, eerste lid, het bezit in

Sluiten